Preken

Hieronder kunt u de wekelijkse overwegingen lezen  die 
Vader Paul Brenninkmeijer schrijft in deze corona-tijd.

 

Overweging op de 32e zondag na Pinksteren 
Heilige Antonius de Grote  Zondag 
17 januari 2021  Evangelie: Lucas 19, 1 - 10

God heeft mensen nodig en daarvoor worden mensen geroepen, ook wij. Jezus riep vissers om zijn apostelen te worden. Maar hij riep ook Zacheüs de tollenaar die zich verstopt had achter de bladeren van een vijgenboom. Zacheüs ontving Jezus in zijn huis en werd een ander mens: voortaan deelde hij zijn rijkdom met anderen, vooral met hen die hij eerder tekort had gedaan.
In de derde eeuw leefde in Egypte een jonge man, Antonius. Samen met zijn jongere zus verloor hij al op jonge leeftijd zijn ouders. Deze ouders waren bepaald niet arm. In de kerk hoorde Antonius de oproep van Jezus aan een rijke jongeman om alles te verkopen wat hij bezat en Jezus te gaan volgen. Antonius dacht: dit gaat over mij. Hij regelde dat een deel van de erfenis  besteed werd aan de opvoeding van zijn zus en de rest schonk hij aan de armen. Hij trok zich terug voor een leven van gebed in een eenzame grot in de woestijn. Het lijkt zo vredig daar ver in de woestijn. Leven in de stilte, ver van het gewoel van de grote stad. Rust vinden in gebed en meditatie en zo God vinden. Maar zo vredig was het niet. Antonius kwam zichzelf tegen. Hij zag vreselijke monsters die hem bedreigden. Waren het hallucinaties? In elk geval waren het echte beproevingen. Hij moest leren om die angstige visioenen in geduld te ondergaan, in het vertrouwen dat God hem niet in de steek zou laten.

Die visioenen van dierlijke monsters zijn symbolen voor wat er aan duistere krachten diep in iedere mens leeft. Ook bij ons leven angsten en zorgen die echte spookbeelden kunnen worden. We kennen de angst om een mislukkeling te zijn, of schuldgevoelens die je blijven kwellen, of jaloezie die een obsessie wordt, of een wrok of boosheid om wat anderen jou hebben aangedaan. Je kan ook gekweld worden door zorgen om je kinderen, je werk, of de wereld om je heen. Antonius zal dit soort gevoelens ook gekend hebben en hij leert ons om ze onder ogen te zien en ze niet weg te drukken, en ze te zien in het licht van God.
Tegenover angsten en zorgen is er het vertrouwen dat God je nabij is, tegenover schuldgevoel of wrok is er Gods vergeving, tegenover het kwaad dat andere je aandoen is er Gods gerechtigheid. Antonius vond in de woestijn geen afleiding om die spookbeelden te ontvluchten. Ook wij leven nu in een moeilijke tijd. Door Corona is er veel minder vertier. In het noodgedwongen alleen zijn kom je jezelf tegen en kun je niet wegvluchten. De berichten van het journaal kunnen je neerdrukken, verhalen over mensen die je goed kent die ernstig ziek zijn kunnen je benauwen. s ’Nachts lig je er wakker van. En zo worden ook wij als christenen geroepen. Als  je het geduldig uithoudt kun je de spookbeelden overwinnen, zullen ze je niet langer overheersen of bedreigen. Antonius is ons voorbeeld. Hij werd een wijs man. Velen kwamen naar hem toe met hun problemen. Antonius kon ook bij anderen onderscheiden en duiden wat er diep in hun hart leefde. Hij leerde anderen om met hun schaduwkanten om te gaan. Je mag ook niet steeds naar anderen wijzen die verkeerd doen, zodat jij jezelf kan wijsmaken dat je zelf zo slecht nog niet bent. Antonius wist dat er naast die schaduwkanten in elke mens ook een verlangen leeft naar goedheid, liefde en vrede en ook vertrouwen dat kan opbloeien. Gods Heilige Geest werkt in mensenharten. En dit kan de donkere kanten overwinnen. En zo vormde zich rondom Antonius een gemeenschap: de eerste monniken die met hem in die eenzaamheid leefden. Er was daar een waterbron waardoor ze hun voedsel konden verbouwen.

Antonius wordt vandaag, 17 januari, als grote heilige in de kerk van oost en west vereerd. Het klooster van Antonius bestaat er nog steeds. Maar je hoeft niet perse naar een klooster te gaan. We kunnen ook in deze tijd van gedwongen alleen zijn leren om meer te bidden, en te leren met onszelf ook met onze moeilijke kanten beter om te gaan en zo een diepere vrede vinden. Daar waar Christus door de Heilige Geest diep in ons leeft. En die vrede mogen we uitdragen naar anderen.

Vader Paul

Overweging op de zondag na Theofanie
Zondag 10 januari 2021   Evangelie: Matheus 4, 12 – 17

In het evangelie van deze zondag horen wij hoe Jezus, na zijn doop en verblijf in de woestijn naar Galilea uitwijkt. Hij heeft gehoord dat Herodes Johannes de doper gevangen heeft gezet. Matheus citeert dan de profeet Jesaja die heeft voorspeld dat in de grensgebieden van het joodse land, het ‘Galilea van de heidenen’, een groot licht zal opgaan. Voor de joden in Jeruzalem en Juda bleef Galilea een gebied met een gemengde joods-heidense bevolking, met veel joden die het in hun ogen met de joodse religie en haar wetten niet zo nauw namen.
Toch begint Jezus daar met zijn optreden. Matheus vat de boodschap van Jezus kort samen: ‘bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij’. Het woord dat vertaald is met bekeren heet in het Grieks: metanoia: ga ànders denken.

Wij, moderne Nederlanders, leven in een land waar het geloof niet langer meer het leven en denken van de meeste bewoners beheerst. Op de TV en andere media ontmoeten we niet vaak overtuigde gelovigen. In de zaterdagrubriek ‘De tien geboden’ van het dagblad Trouw worden bekende Nederlanders geïnterviewd over hun reactie op deze Bijbelse gedragsregels. Meestal zijn dit mensen die zeggen  niet in God te geloven. Als gelovige voel je je dan gauw een àndersdenkende.
Wie wèl voor zijn geloof uitkomt moet zich vaak in een publiek debat verantwoorden. Ik zag een TV uitzending waar de christelijk gelovige Delftse hoogleraar en natuurkundige Cees Dekker kritisch ondervraagd werd over zijn boek ‘Oer’. Daarin toont hij aan dat de evolutie en de oerknal heel goed samengaan met zijn geloof en tot een samenhangende visie leiden. Dan zie je als gelovige in de evolutie de macht van God werkzaam. Zijn opponent Govert Schilling hield vol dat wetenschap en geloof strikt gescheiden gebieden zijn en dat je die niet door elkaar mag halen. Hij toonde dit aan met een glas dat half gevuld was met water. Hij goot er olie in die boven het water bleef drijven. De twee vloeistoffen mengden zich niet. Dekker erkent dat de wetenschap zijn eigen regels heeft van objectiviteit en rationele en meetbare feiten. Maar elke wetenschapper heeft een daarachter liggende levensbeschouwing. Die kan atheïstisch, agnostisch of gelovig zijn. De grondlegger van de theorie van de oerknal en over het uitdijend heelal was een Belgische priester: Georges Lemaitre. 
En de astronoom Heino Falcke ( ik heb hem bij een voorgaande overweging eerder genoemd ) erkent dat wetenschap het bestaan van God niet kan bewijzen. Maar dat zijn beoefening van wetenschap hem wel vol ontzag voor de grootsheid en schoonheid van de schepping vervult en als zodanig dichterbij God brengt.
Dit alles spoort hem aan tot grote nederigheid. Een wetenschapper gaat zo anders denken.

We kunnen dit ook toepassen op het denken en handelen van economen en van politici. In de uitoefening van hun beroep lopen zij niet met hun geloof te koop. Als uitzondering vertelde premier Rutte bij gelegenheid van Hervormingsdag op 31 oktober j.l. over zijn gelovige inspiratie. Zie: https://www.protestantsekerk.nl/evenementen/protestantse-lezing. Rutte zegt: wie in God gelooft mag hoop hebben en daar gaat een grote troost van uit, zeker in deze Corona-tijd. Hij citeert de apostel Paulus die in Romeinen 12,2  zegt: ‘u moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld.’ Dit betekent anders denken en doen: je richten op de wil van God. Bezit van veel geld, een knap uiterlijk of macht doet er dan niet toe. Want, zo zegt Rutte, ieder mens is even veel waard, of je nu professor of vuilnisman bent, ieder doet zijn werk ten dienste van het grote geheel. Zo kan geloof inspiratie bieden voor een leven in deze harde wereld, die vaak vol duisternis is, maar waarover het Licht van Christus is opgegaan.

vader Paul

 

Overweging op de zondag voor Theofanie
Zondag 3 januari 2021    Evangelie: Marcus 1, 1 – 8

theofanie

 

In het evangelie van deze zondag horen wij over Johannes de Doper. Hij is de voorloper van Jezus, en als zodanig wordt hij in de Byzantijnse traditie ook genoemd. Johannes riep op tot bekering en tallozen kwamen naar de rivier de Jordaan waar zij zich door deze profeet lieten dopen, waaronder ook Jezus. Johannes zei: ‘Na mij komt die sterker is dan ik. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met water en heilige Geest’. Hiermee verwijst het evangelie van deze zondag naar het feest van 6 januari, in de Byzantijnse traditie Theofanie genoemd: Godsverschijning. In de begineeuwen van de kerk werd de geboorte van Jezus nog niet als apart feest gevierd. Kerstmis is pas in de vierde eeuw in Rome ontstaan, als kerstening van het Romeinse feest van de zonnewende: Sol invictus, de onoverwinnelijke zon. Christus is immers als het Licht bij uitstek in onze donkere wereld gekomen.
In de tweede eeuw ontstond het feest van de Doop van Christus op 6 januari. Geleerden vermoeden dat dit in Egypte is gebeurd, waar op 6 januari het feest van de Nijl werd gevierd. De Nijl is de levensader van dit droge land, en men vereerde de rivier als een godheid. De christenen dachten bij de Nijl aan de Jordaan en beleven dat door de doop van Jezus het water als levensbron voor ons mensen geheiligd is geworden.

Helaas kunnen wij, door Corona, dit feest dit jaar niet vieren. De ceremonie van de waterwijding en de besprenkeling met het pasgewijde water zou ons te dicht bij elkaar brengen. Maar we kunnen er wel in gedachten bij stilstaan en ons herinneren hoe dit ceremonieel een herbeleving is van onze eigen doop.
Tijdens de grote waterwijding aan het einde van de goddelijke liturgie bidt de priester: Laat de genade van verlossing, de zegen van de rivier de Jordaan  over dit water neerdalen. Maak het tot een bron van onvergankelijkheid, tot een gave van heiliging, tot een bad dat zonden wegwast, tot een drank die gezondheid geeft, tot een poel waarin het kwaad verstikt. Moge het allen die ervan nemen, reinigen naar ziel en lichaam, moge het hen en hun huis ten goede komen. Want Gij zijt onze God die door Water en de Geest onze natuur vernieuwt.

Jezus doopte met water èn Heilige Geest. Het is ook voor ons niet voldoende eenmaal, vaak bij het begin van ons leven, met water gedoopt te zijn. Wij zullen tijdens ons hele leven door de Heilige Geest moeten worden omgevormd. Zoals Paulus schrijft in het epistel van dit feest: ‘Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest’ (Titus 3,5).
Laten we in deze en de komende dagen de betekenis van onze eigen doop opnieuw tot ons doordringen.

vader Paul

 

Preek met Kerstmis 
26 december 2020

Er is iets opvallends in de icoon van Kerstmis. We zien daar altijd een grot en geen stal, zoals we dat wel zien in de westerse schilderingen van de geboorte van Jezus. Maar op iconen is er een donker zwart gat. Laten we hier bij stilstaan. Want pas als je het donker onder ogen durft te zien en hebt leren kennen, weet je wat het licht betekent, en Kerstmis is toch het feest van het licht.
De zwarte grot duidt op wat ons angst inboezemt: vooral de dood. De voerbak waar de kleine Jezus in ligt heeft de vorm van een doodskist. De witte windsels herinneren aan de doeken waarmee het lichaam van de gestorven Jezus na de kruisafname wordt gewikkeld. Zwart is ook de kleur van de eenzaamheid, de verlatenheid. De os en de ezel in die donkere grot worden al genoemd door de profeet Jesaja. Daar staat: ‘een os kent zijn meester en een ezel de heer van de kribbe, maar mijn volk, zo zegt God, kent mij niet meer’. Zo is ook Jezus eenzaam, verlaten en miskend zodat hij ter dood wordt veroordeeld.

En dan zien we op de icoon Maria: zij ligt in gepeins verzonken, ingekeerd in zichzelf. Zij overweegt het geheim dat God door haar mens is geworden. Hoe God ons in Jezus bij onze hulpeloosheid en onze angst nabij is gekomen, om dit met ons te delen. Angst is een heel diepe drijfveer van ons mensen, angst voor de dood en angst voor eenzaamheid. Meestal drukken wij onze angsten weg in een druk bezet leven met allerlei afleiding. Tot bijna een jaar geleden leefden veel mensen in een roes van overvloed en welvaart. Met vrijheid om te doen waar je zin in hebt, uitgaan, vakantie vieren, leuke dingen doen om de diepere angst te onderdrukken. En zo werd vrijheid voor velen het hoogste goed. Maar toen het Coronavirus opdook kwam die weggedrukte angst aan de oppervlakte. Angst om besmet te raken, om in het ziekenhuis en op de IC te belanden en om dood te gaan.
Maar angst mag ons niet verlammen. Op de icoon is het zwarte gat omringd door een landschap waar een zacht licht van afstraalt, en we zien er figuren in kleurige  gewaden. Het zwarte gat is zo ingeklemd. En dit betekent dat  angst beheersbaar wordt wanneer we het zwarte gat in ons leven onder ogen zien en het een plek krijgt.
En met beheerste angst komt er ruimte voor verantwoorde en goede zorg. Zorg voor het leven dat gekoesterd en beschermd moet worden. Daarom moest onze overheid maatregelen nemen, om het virus te bestrijden. Een aantal mensen protesteert hier tegen, soms heel luidruchtig. Er blijft onder hen een drang naar vrijheid die van geen beperking wil weten. Toch is met ongeremde vrijheid de angst die diep in mensen leeft niet bedwongen. Wij mensen hebben onze vrijheid gekregen om verantwoordelijkheid te dragen.

Onder op de kersticoon zien we twee vrouwen die het pasgeboren kindje in bad doen. Dit betreft een legende die zelf niet in de Bijbel vermeld wordt, maar duidt wel aan hoe belangrijk de zorg is. Bij ons staat nu de zorg onder hoogspanning. En dan zien we op de icoon ook Jozef. Deze heeft het hoofd in de handen, hij zit vol vragen: hoe heeft zijn vrouw Maria dit kind gekregen?  Toch zal Jozef zich overgeven aan het grote geheim van Jezus geboorte.

Ons geloof vraagt dat ook wij een sprong wagen. Dat we ons toevertrouwen aan wat groter is dan onze angst en onze menselijke kleinheid. En dat zal ons sterken en moed geven. Net als de herders mogen we ons laten opwekken door een oproep uit de hemel. Herders waren schamele figuren, ze behoorden tot de onderlaag van de maatschappij. Maar hoe belabberd de situatie ook is, een mens kan altijd geroepen worden tot iets groots dat een waardigheid geeft. We zien hoe een herder een verkondiger wordt van de blijde boodschap, hij bazuint die uit met zijn toeter. Tenslotte: net als de wijzen mogen ook wij op weg gaan uit ons eigen kringetje, en onze gaven, onze talenten als geschenken geven aan Hem die er iets nieuws mee gaat beginnen. Kerstmis geeft ons de kracht om het leven aan te kunnen met al zijn moeite en pijn.

 Vader Paul

 

Preek op de zondag voor Kerstmis
Zondag 20 dec. 2020

De geslachtslijst van de voorouders van Jezus leert ons dat God in Jezus werkelijk mens is geworden, een mens als wij, met een voorgeschiedenis, behorend tot een bepaald volk. Al die namen die we zojuist hoorden roepen verhalen op. Ontroerend menselijke verhalen van veel geloof, zoals Abraham, maar ook schokkende van slechtheid. David begeerde de vrouw van Uria zo sterk, dat hij opdracht gaf om Uria te laten omkomen in de strijd. En zo maakte David diens vrouw Bathseba tot de zijne en Salomo werd hun kind. Maar Psalm 51 verwoordt het berouw van David hierover. Kwaad en goed in een persoon. Een voorbeeld van ontroerende liefde is het verhaal van Ruth, de overgrootmoeder van David. Ruth was een Moabitische vrouw, dus niet joods, maar heel erg trouw aan haar joodse schoonmoeder Noomi, die naar Moab uitgeweken was bij hongersnood. De mannen van beide vrouwen waren gestorven. Naomi wilde weer terug naar Bethlehem en zei tegen Ruth dat zij bij haar eigen familie noesten blijven. Maar Ruth hield zoveel van haar schoonmoeder dat zij zei: ‘waar jij gaat ga ik, waar jij slaapt slaap ik, jouw God is mijn God, jouw volk is mijn volk’. En zo gebeurde het. In Bethlehem vond Ruth een nieuwe man en zij werd de overgrootmoeder van koning David. Het verhaal van David zegt dat God zich niet schaamt voor ons menszijn met zijn lelijke kanten, zoals God ook blij is met de mooie kanten van Davids boete en bij Ruth. En Jezus heeft dit zelf waargemaakt door om te gaan met zondaars en tollenaars en voor hen niet zijn neus op te halen, en door zelfs zijn leven te geven op het kruis voor de vergeving van alle menselijke zonden.

Dit is een enorme les voor ons allemaal. Ik ben Nederlander en heb, of ik het nu leuk vind of niet, een voorge-schiedenis die met koloniale onderdrukking en slavernij te maken heeft. Je kan niet zeggen dat dit jou niet aangaat. We profiteren van de rijkdom die deze kwalijke praktijken bij de opbouw van ons land hebben meegebracht. En nog steeds leven hier migranten uit Oost-Europa die het werk doen dat wij niet willen en wonen als moderne slaven in slechte omstandigheden. Maar veel Nederlandse religieu-zen hebben in missiegebieden hun volle inzet gegeven voor de verheffing van die mensen daar, en zijn er nu idealistische landgenoten die op Griekse eilanden vluchtelingen helpen. Ook bij ons is het mooie en het lelijke in onze voorgeschiedenis en in het heden met elkaar verwikkeld. Natuurlijk moeten we het kwaad bestrijden, maar er is een gevaar. Want er is in ons een verlangen dat we helemaal zuiver en onschuldig willen zijn. Ons blazoen moet niet besmet raken, vinden we vaak.

In de kerk kennen we het woord ketter, dat woord komt van Katharen en dat waren gelovigen die een geheel zuivere kerk nastreefden. Het is een verleiding om te denken dat de kerk uit enkel voorbeeldige christenen bestaat, maar de kerk is van heiligen èn van zondaars, denk aan machtsuitoefening en zelfs seksueel misbruik. We zien het ook in de politiek. De Brexit is de Britse droom om los van het vermaledijde Europa perfect te zijn. In ons land dromen sommigen van een zuiver blank Nederland, van vreemde smetten vrij. Als je een ideale toestand wil hebben is het gevaar dat je anderen tot vijanden maakt, omdat die in jouw ogen verkeerd zijn. Maar daarmee plaats je je zelf buiten de mensen-gemeenschap die altijd een mengeling is van goed en kwaad. Wij moeten ook naar onszelf kijken. Willen we met Kerstmis Christus in ons ontvangen, dan moeten we onszelf eerst grondig onderzoeken. Staan we werkelijk open voor Gods genade, of zijn we op een verkapte manier hoogmoedig, of egoïstisch, of te hard in ons oordeel. Genieten we door leedvermaak, of zijn we juist te angstig met te weinig vertrouwen. Pas als je dit allemaal hebt onderscheiden en onder ogen durft te zien kun je open staan voor Gods liefde die jou neemt zoals je bent.
Kerstmis leert ons om werkelijk solidair te zijn, één met alle mensen, zoals ze zijn met het goede en met het kwade, zoals Christus met zijn menselijke voorgeschiedenis ons leert.

Vader Paul

 

Overweging op de zondag van de voorouders des Heren
Zondag 13 december   Evangelie: Lucas 14, 15 – 24

We leven toe naar Kerstmis, het feest van het komen van God in deze wereld, het komen van God in Jezus. Het evangelie van deze zondag is heel toepasselijk. Het vertelt over de uitnodiging voor een feest. Bedoeld is het feestmaal van Gods Koninkrijk waarvoor ook wij zijn uitgenodigd en waarop wij innerlijk voorbereid moeten zijn. In het evangelieverhaal slaan de eerst genodigden de uitnodiging af. Dit feestje  komt hen niet uit en zou hun normale leventje verstoren. Ze hebben ieder een excuus. De boer heeft zijn akker, de handelaar zijn vee, de pasgetrouwde zijn vrouw. Voor hen wordt het leven enkel bepaald door wat het meest zichtbaar en tastbaar voor handen is. Hun werk, hun huwelijk en hun ontspanning. Maar wie er voor open staat ziet door de dagelijkse bezigheden en dingen iets dat hem of haar boven het gewone leven uittilt.  
Het is deze zondag ook de feestdag van de heilige Lucia. Zij was een christenvrouw uit de derde eeuw, wonend in Syracuse, Sicilië. Zij was wel op de uitnodiging ingegaan. Zij wist zich zozeer met Christus verbonden, dat zij weigerde te trouwen met heidense mannen die haar waren opgedrongen. Zij werd ter dood gebracht bij de vervolging van keizer Diocletianus. Hieraan voorafgaand werd zij gemarteld en werden haar ogen uitgestoken, maar zij kon toch blijven zien. Zo werd zij de beschermheilige van de blinden. Haar naam Lucia komt van het Latijnse woord lux dat licht betekent. Juist in deze donkere dagen voor Kerstmis geeft haar feestdag hoop voor ons die in het duister tasten. Hier is ook het duister van vertwijfeling, uitzichtloosheid en gebrek aan vertrouwen mee bedoeld.

Wie ook gehoor geeft aan de oproep tot geloof is professor Heino Falcke, die in Nijmegen astronomie doceert. Hij publiceerde onlangs het boek: ‘Licht in de duisternis’ en hij beschrijft de geschiedenis van het maken van een foto van een zwart gat in ons melkwegstelsel. In een zwart gat verdwijnt alle licht: hier heerst alleen maar duisternis. Toch ketsen soms lichtstralen af als ze naar het zwarte gat worden toegezogen. In een gigantische operatie, met wereldwijd opgestelde radiotelescopen, is het onder zijn leiding gelukt een foto te maken van het zwarte gat: een donkere cirkel omringd door oranje vlekken van lichtdeeltjes die aan het zwarte gat zijn ontsnapt. Zijn boek beschrijft ook de filosofische betekenis van het licht. ‘Wij nemen de werkelijkheid waar door het licht en de materie die wij kennen wordt gemaakt door licht. De kleinste deeltjes gedragen zich soms als elektromagnetische golven, dus als licht’.
Niet voor niets begint het scheppingsverhaal met de woorden: ‘God sprak: er zij licht, en er was licht’. Heino Falcke is niet alleen astrofysicus, maar ook prediker in een evangelische kerk in Duistland, in de buurt van Keulen, waar hij woont. Als wetenschapper komt hij tot een opmerkelijke verantwoording van zijn christelijk geloof. Natuurlijk is er geen echt bewijs voor het bestaan van God: gelukkig maar, want daarvoor is God te groot en ons menselijk verstand te klein. Bovendien zou daarmee de zoektocht die het geloof is ophouden, zoals ook de wetenschap zelf een zoeken blijft. Vragen en ook twijfels kenmerken de wetenschapper net zo goed als gelovige. Falcke merkt op dat kerken hun geloofwaardigheid verliezen als ze te veel stelligheden poneren. Kerken moeten vragen blijven stellen. ‘Wetenschap zonder zelfkritiek is kwakzalverij, religie zonder twijfel is godslastering, politiek zonder twijfel is bedrog’. Hij schrijft: 'voor mij is God niet zomaar iets, maar iemand....God is mijn 'tegenovermij', in het Duits: ‘Gegenüber”, iemand van wie ik ook vandaag en morgen iets nieuws mag verwachten. Zo maakt God ontmoetingen mogelijk’. Hij waardeert het dat hij niet alleen verkeert in de kring van geleerden, maar in de kerk allerlei soorten mensen ontmoet.
Dit doet denken aan het slot van het evangelie verhaal waar juist ook armen, gebrekkigen en blinden van de straten en stegen zijn verzameld in Gods feestzaal. Ik wens u een mooie voorbereiding op het kerstfeest toe. Vanouds is Kerstmis het feest van het licht, de komst van Christus als ‘Licht der wereld’.

vader Paul

Overweging bij de 27ste zondag na Pinksteren: feest van de Heilige Nicolaas
Zondag 6 dec. 2020   Evangelie Lucas 13, 10 -16

Het evangelie van deze zondag vertelt over de genezing van een vrouw die helemaal kromgebogen is. Voortaan zal zij rechtop door het leven gaan en dit is een symbool dat ook wij door Christus opgericht worden uit alles wat ons terneerdrukt. Op deze zondag is er nog een reden om opgewekt te zijn, want de kerk van Oost en West viert nu de feestdag van de Heilige Nicolaas. De ‘wonderdoener’ wordt hij in de orthodoxe traditie genoemd al zijn veel van deze wonderverhalen legendarisch. Historici hebben moeite gedaan om achter alle opmerkelijke verhalen van Nicolaas de historische werkelijkheid te reconstrueren. Hij was in de vierde eeuw bisschop in de havenstad Myra in de Grieks sprekende provincie Lycië in het zuidwesten van het huidige Turkije. De naam Nicolaas betekent in het Grieks overwinning van het volk. Historici weten dat er vanaf het jaar 375 een ‘explosie’ van Nicolaas-namen in dit gebied plaats had. Tevoren was die naam daar vrij onbekend. Talloze pasgeboren jongetjes kregen de naam van de toen overleden bisschop en enige jaren later werd op zijn graf een aan hem gewijde kerk gebouwd. Nicolaas moet bij zijn leven zoveel indruk hebben gemaakt dat hij als een heilige werd beschouwd. Bekend is het verhaal dat Nicolaas een arme vader te hulp kwam die het geld niet had om zijn drie dochters uit te huwen. Het risico was dat deze meisjes in de prostitutie zouden belanden, een florerend bedrijf in de havenstad Myra. Nicolaas wierp op drie avonden achter geld elkaar door het raam van het huis van deze vader, die de derde keer de goede gever achterna liep en ontdekte dat het de bisschop was, die hem op het hart drukte dat hij dit pas verder mocht vertellen als de bisschop overleden was. Hier danken wij de chocolademunten in goudpapier aan. Nicolaas werd hierom ook patroon van de trouwlustigen en in de 17e eeuw was het in ons land gewoonte dat een jongen die een meisje wilde trouwen op Sint Nicolaasavond het meisje dat hij op het oog had een vrijer van speculaas aanbood. Nam het meisje dit aan dan wist hij dat zijn huwelijksaanzoek hiermee aanvaard werd. Zo niet dan had hij een blauwtje gelopen. Een ander verhaal is dat Nicolaas drie ter dood veroordeelden redde door de beul het zwaard uit de hand te rukken. Ook hier kan een historische kern in zitten.

In de vierde eeuw werden er steeds meer mensen christen en bepaalde bisschoppen, zoals Nicolaas, kregen een goede reputatie en dat gaf hen gezag. Zij bemiddelden daardoor nogal eens bij rechtszaken, waar veel burgerlijke rechters corrupt waren. Ook was er in die vierde eeuw in Lycië een tijd van grote hongersnood. Een graanschip dat van Egypte naar Constantinopel op weg was, kwam aan in de haven van Myra. Nicolaas bemiddelde bij de kapitein dat een deel van het graan aan de hongerende bevolking werd geleverd.
Na de dood van de heilige bisschop kwamen er steeds meer legendarische verhalen. Nicolaas zou van tijd tot tijd zomaar vanuit de lucht verschijnen om schepelingen in nood naar een veilige haven te loodsen, om een drenkeling uit het water te vissen of een door Saracenen gekidnapte jongen bij zijn slavenhouder weg te halen en veilig bij zijn ouders terug te brengen.
In onze streken ontstond het verhaal dat Nicolaas bij een boze herbergier drie jongens tot leven wekte die door hem gedood en in stukken gesneden in een pekelvat gestopt waren. In Rusland is Nicolaas de meest populaire heilige. Vooral nadat Italiaanse zeerovers in 1087 het dode lichaam uit Myra geroofd hadden en naar Bari hadden overgebracht, werd Nicolaas ook in de westerse kerk als een hele grote heilige vereerd.
Hij verdient het dat wij hem in ere blijven houden als een heel bijzondere heilige die zijn christen-zijn helemaal in praktijk bracht als een voorbeeld voor alle tijden.

vader Paul

Overweging bij de 26e zondag na Pinksteren
zondag 29 november Evangelie: Lucas 12, 16 – 21

Er heerst ‘het nieuwe normaal’ van anderhalve meter afstand houden, mondkapjes voor,  in plaats van vliegreizen thuis blijven en géén vuurwerk met Oud en Nieuw. Corona heeft ons dagelijks leven ingrijpend veranderd. Het oude normaal zakt verder weg. Het evangelie-gedeelte van deze zondag is genomen uit het 12e hoofdstuk van het evangelie van Lucas. Hier spreekt Jezus ons toe vanuit een geheel nieuw perspectief. Het koninkrijk van God is dichtbij, Gods nieuwe heerschappij breekt met Jezus door in onze wereld, niet zoals een virus, maar wel als een door God geschonken nieuwe werkelijkheid. Daarmee wordt alles op zijn kop gezet. Vanaf vers 16 vertelt Jezus over een rijke man wiens land een enorme grote oogst heeft opgebracht. Deze man leeft nog helemaal ‘in het oude normaal’ en bouwt grote schuren om zijn rijkdom te bergen. Hij zegt tegen zichzelf: ‘ik heb genoeg voor vele jaren, rust uit, neem het er van, eet en drink en vermaak je’. Maar, zo vervolgt Jezus: ‘God zei tegen hem: dwaas, nog deze nacht wordt je leven van je teruggeëist. Voor wie zijn die schatten dan die je hebt opgeslagen?’ Zo vergaat het een mens die schatten verzamelt voor zich zelf maar niet rijk is bij God. Aldus eindigt deze parabel.
Deze rijke man deelt de mentaliteit van veel mensen in de welvaartsmaatschappij van vóór Corona. Geld genoeg om drie keer per jaar op vakantie te gaan, geld genoeg om feest te vieren en je chic te kleden. Ook christenen bleken voor deze welvaartsroes niet ongevoelig. Als het ons financieel meezat deden we er vaak vrolijk aan mee.

Maar er was ook altijd wel enige terughoudendheid in het christendom. Er was zelfs een wereldvlucht. Bepaalde groepen christenen onderhielden een heel sobere levensstijl en maakten zich los van de wereld. Met de idee dat de beloning in het hiernamaals zou komen bij God in de hemel. Daarvoor had Jezus immers de toegang bereid door te sterven voor onze zonden. Helaas werd daarbij vaak vergeten dat het Rijk van God dat Jezus verkondigt doorbreekt in deze aardse werkelijkheid. Jezus leerde een groep volgelingen deze nieuwe werkelijkheid te beleven. Door samen alle bezit te delen en elkanders dienaar te zijn in plaats van macht uit te oefenen. Maar zelfs zijn apostelen begrepen hem vaak niet. Er was onenigheid onder hen wie de voornaamste zou zijn en ze waren innerlijk niet voorbereid op het lijden en de kruisiging van hun leider, zodat ze op de vlucht sloegen. Pas na de dood van Jezus gebeurt het wonder dat ze echt gaan begrijpen hoe er een nieuwe wereld komt door de machteloosheid van het kruis heen, gebaseerd op vergeving en barmhartige liefde. De leerlingen van Jezus gingen na diens dood op weg om gemeenschappen te vormen waar rijk en arm, mannen en vrouwen, slaven en vrijen leerden om in liefde met elkaar te leven en om te zien naar zieken.

Als het om dit aardse leven gaat en niet alleen om de hemel is het niet verkeerd om voor de toekomst schuren vol met koren te bouwen. Zoals Jozef bij de Farao in Egypte deed, waardoor hij zijn familie kon voeden toen er hongersnood heerste. Maar dit waren geen schuren voor een zelfgenoegzame rijke eenling. Ook in het ‘nieuwe normaal’ van Corona zullen wij als christenen samen met vele anderen voedselbanken voorzien van het nodige en door middel van de Adventsactie steun geven aan bijvoorbeeld 20.000 ontheemden in Congo. Vijftig gezinnen krijgen er grond en zaaigoed om voedsel te verbouwen, in Nicaragua leren arme boeren nieuwe landbouwtechnieken om bij de toenemende droogte met minder water toch te kunnen oogsten. Ook op de Palestijnse Westbank, en Malawi worden mensen geholpen om groente te verbouwen. Met onze hulp via NL89 INGB 0653 1000 00 t.n.v. Adventsactie, Den Haag.

vader Paul

Overweging bij de 25e zondag na Pinksteren  
22 november 2020  Lucas 10, 25 – 37.

Het evangelie van deze zondag is het bekende verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Jezus beantwoordt hiermee de vraag van een wetgeleerde: ‘Wie is mijn naaste?’ Deze man neemt zichzelf als uitgangspunt. Hij wil een fatsoenlijk wetsgetrouw man zijn. Hij wil weten waar hij aan toe is, en wat hij moet doen om de wet te vervullen. Maar in feite negeert Jezus deze vragen. Jezus vertelt over een reiziger die door rovers beroofd is neergeslagen en gewond langs de weg ligt. En de vraag wordt dan: wie is de naaste voor deze ongelukkige man?
We moeten er altijd weer opnieuw aan wennen dat de Bijbel ons geen algemeenheden voorhoudt, maar ons steeds dwingt om naar het concrete te kijken: in dit geval een gewonde reiziger. Paus Franciscus schrijft in zijn laatste encycliek Fratelli tutti ( gij allen zijt broeders) ‘Wie identificeert zich met de gewonde man langs de weg?’ Zo iemand stoort mij, zegt de paus. De priester en leviet die aan de arme noodlijdende voorbij lopen zijn religieuze mensen. De paus  merkt op dat er gelovigen zijn die zich dicht bij God wanen terwijl ze zich daardoor beter vinden dan anderen.
De heilige Johannes Chrysostomos  zei: ‘Wilt u het lichaam van Christus eren? Veracht dan de bedelaar niet die buiten voor de kerkdeur in koude en naaktheid neerligt.’

De paradox is dat ongelovigen het in hun leven soms beter doen dan gelovigen. Je kan dus niet onverschillig blijven als je een ander pijn ziet lijden. Maar dit verstoort wel onze sereniteit. We vinden pas onze waardigheid als we niet aan dit leed voorbij lopen. De geschiedenis herhaalt zich. Er blijven twee soorten mensen: zij die aan de noodlijdende voorbij lopen en wegkijken en zij zich over de noodlijdende heen buigen. Soms maken we ons verschrikkelijk druk om mensen die zulke slechte dingen doen als de rovers uit dit verhaal. Als we ons teveel fixeren op deze bandieten is er het gevaar dat de noodlijdende aan zijn lot wordt overgelaten. Ook in onze tijd krijgen misdadigers te vaak kansen om hun praktijken straffeloos te blijven uitoefenen. Velen leggen hen niets in de weg, en er zijn mensen die van hen profiteren, zoals bijvoorbeeld gebruikers van drugs. Net als bij de priester en de leviet die aan de gewonde man voorbij lopen is er ook bij ons minachting of onverschilligheid t.o.v de armen en hun cultuur, schrijft de paus. De man die wèl naar de gewonde reiziger omkeek was een Samaritaan. Jezus geeft hiermee aan zijn Joodse toehoorders een gevoelige les. Joden keken op de Samaritanen neer, het waren in hun ogen halve heidenen. Maar Jezus laat zien hoe deze verachte man vooroordelen negeert en zich over de gewonde man heen buigt en hem te hulp komt.

De vraag: ‘Wie is de naaste voor de noodlijdende gewonde reiziger’ dwingt ook ons om over grenzen heen te kijken. Dit verhaal is een uitdaging om in een universele dimensie lief te hebben, en vooroordelen, historische en culturele barrières en kleingeestige belangen te overwinnen. Wie onze hulp nodig heeft zal vaak iemand zijn buiten onze eigen vertrouwde kring van familie, buurt- of landgenoten. Het kan heel goed een vluchteling zijn die in onze eigen omgeving terecht gekomen is. De paus merkt op dat er veel angst en afweer tegen vreemdelingen bestaat. Vaak worden er muren tegen hen opgericht. Maar, zo vervolgt de paus: ‘Wie een muur opricht tegen de vreemdeling, wordt zelf een gevangene achter deze muur’. Tenslotte merkt de paus op dat we niet alléén zelf een mens in nood hoeven te helpen. We hoeven het niet allemaal alleen te doen. De Samaritaan zocht een herbergier die de gewonde man verder kon verzorgen. Zo kunnen ook wij bondgenoten vinden bij onze inspanningen om mensen in nood, waar dan ook, te helpen.

vader Paul

 

Overweging bij de 24e zondag na Pinksteren
Zondag 15 november 2020    Evangelie: Lucas 8,41 – 48

In het evangelie horen wij over de genezing van een vrouw en de opwekking uit de dood van een jong meisje. De genezing betreft een vrouw die al jaren aan bloedvloeiing lijdt. Zij is daardoor volgens de mening van die tijd onrein en mag zich niet tussen anderen mensen ophouden. Haar lichamelijk lijden wordt hierdoor ook het geestelijk lijden van een diepe eenzaamheid. Toch waagt ze zich in de menigte die Jezus omringt. Met angst en beven raakt ze de zoom van Jezus’ kleed aan en haar bloedvloeiing houdt op. Maar Jezus heeft gemerkt dat er ‘een kracht van hem uitging’ en vraagt: ‘wie heeft mij aangeraakt?’ Trillend van emotie bekent de vrouw dat zij het is geweest. Maar Jezus bemoedigt haar en zegt: ‘je geloof heeft je gered, ga in vrede’.     

overweging1                                                                                                                                             

In deze tijd van de corona-epidemie missen wij de lichamelijke aanraking in onze menselijke contacten. Grootouders mogen hun kleinkinderen niet meer knuffelen, vrienden kunnen elkaar niet meer hartelijk begroeten met een omhelzing. Zonder aanraking dreigt eenzaamheid. We verlangen des te meer naar het einde van de coronapandemie. Aanraking heeft iets van tederheid in zich. Aanraking tast de ander in zijn of haar waardigheid niet aan. In tegenstelling tot lichamelijke agressie of aanranding. Maar zelfs boksers met hun vuist kunnen op een sportieve manier de tegenstander blijven respecteren.   

In de beleving van ons geloof is aanraking ook wezenlijk. Wij geloven niet alleen met ons verstand, maar ook met ons hart en met ons lichaam. Wij maken een kruisteken, maken een buiging en raken een icoon of kruisbeeld aan door het te kussen. Wij missen in deze coronatijd vaak de kerkdienst waarbij we in de communie lijfelijk gevoed worden door Brood en Wijn waarin wij het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen.

Maar wij hebben wel deze website. Op de homepagina zien we de icoon van de Moeder Gods Wladimirskaja. De patronage van onze Utrechtse Byzantijnse gemeenschap. Op deze icoon zien we de aanraking van het kind Jezus die zich met zijn wang tegen de wang van Maria zijn moeder aandrukt. Tegelijk slaat het kindje zijn ene hand om de hals van Maria, en legt hij zijn andere hand op haar borst. In het Bijbelse Hooglied wordt de liefde tussen een meisje en haar jongen uitgebeeld. Het meisje vertelt in hoofdstuk 2, 6 en 8,3:  ‘Zijn ene hand legt hij om mijn hals en de andere op mijn borst”. Dit liefdespaar van een jongen en zijn meisje wordt vanouds geduid als God die zijn volk liefheeft. Op de icoon beeldt het Christuskind Gods tedere liefde uit, en is Maria de door God beminde mensheid, en speciaal ook de kerk.
God is niet een verre God, maar Gods tedere aanraking zien wij in de manier waarop Jezus met mensen, en speciaal zieke en lijdende mensen, omging. Gods tedere aanraking beleven wij in de liturgie, vooral in de Eucharistie. Gods tedere aanraking betekent dat wij niet door God overweldigd worden. God dwingt ons nooit. Wij blijven altijd vrij om in God te geloven of niet. Er is geen rationeel bewijs dat ons dwingt om ons te onderwerpen aan God als Schepper van deze wereld. Daar is God te groot voor en is ons verstand te klein.

Wij kunnen Gods aanwezigheid wel vermoeden, maar nooit echt betrappen. Geloven blijft een zoektocht. Wij mogen Gods tedere aanraking ervaren in de schoonheid van de schepping, zoals nu in de herfst het lage zonlicht de natuur een kleurengloed geeft. Wij ontmoeten God ook in de lijdende medemens die onze zorg nodig heeft. Zoals de passerende Samaritaan de gewonde reiziger langs de weg aanraakt en diens wonden verzorgt. Voor de priester en leviet lag de gewonde man voor dood neer. Zij durfden hem niet aan te raken, uit angst om onrein te worden als hij mocht sterven.  Des te meer bewonderen wij momenteel de werkers in de zorg die zieken en ouderen blijven verplegen en verzorgen ondanks het gevaar om zelf besmet te raken. Ook in hun handen zien wij de tedere liefde van God in alle concreetheid.

vader Paul

 

Overweging bij de 23e zondag na Pinksteren
Zondag 8 november 2020   Evangelie: Lucas 8, 26 -39

In het evangelie van deze zondag wordt verteld over de uitdrijving van demonen uit een man die daar duidelijk zwaar onder lijdt. Hij loopt er bij als een wildeman, zonder kleren en wonend in rotsgraven.  Men had hem aan handen en voeten geboeid met ijzeren ketens. Jezus spreekt de demonen aan en vraagt naar hun naam. Ze noemen zich legioen, want ze zijn met velen. Dan beveelt Jezus de demonen uit deze man te gaan, en ze nemen bezit van varkens die daarop beneden in het meer storten en omkomen.
Wij, als moderne mensen, hebben moeite met het duiden van de bezetenheid door demonen waar veel evangelie verhalen over vertellen. We zien bezetenheid eerder als een psychische ziekte. In onze tijd hebben artsen medicijnen en therapieën die hier kunnen genezen. Maar we kunnen de bezetenheid ook duiden als een collectieve geestelijke bezetenheid van waandenkbeelden of verkeerd ideeën. Het kan een aanduiding zijn van geestelijke terreur die mensen in de greep houdt, of voor gedeelde angsten. De demonen heetten, zo zegt het verhaal, ‘legioen’. Het woord legioen werd in Jezus’ tijd gebruikt voor de Romeinse legers. De bezetenheid in dit verhaal is volgens een aantal Bijbeluitleggers dan ook een verwijzing naar de druk en de ellende van de terreur die de Romeinse bezettingslegers het joodse volk oplegden. Daar waren de Joden machteloos onder, en dat gaf hun een grote frustratie en angst. In de menselijke geschiedenis zijn er veel voorbeelden van collectieve angsten en waandenkbeelden.

Juist in tijden van crisis door natuurrampen, oorlogen of pandemieën, raken mensen gemakkelijk in de greep van dergelijke  ideeën. In de eeuwen van de pest overheerste het idee dat deze dodelijke ziekte die zoveel slachtoffers maakte een straf van God was. Mensen zouden gestraft worden omdat ze de regels die God aan de mensen oplegt niet naleefden. De onzekerheid die de pest met zich meebracht deed mensen vastklampen aan deze ‘verklaring’. Mede omdat de pest ook onschuldigen trof werd zo een verfoeilijk waanidee over God verspreid, dat wellicht tot in onze tijd doorwerkt. Dat God een vriend van mensen is raakte hiermee helemaal op de achtergrond.
Mogelijk is de afkeer die veel mensen vandaag de dag voelen tegenover het geloof in God veroorzaakt door deze misvatting over God. Intussen leven wij met een nieuwe pandemie. Je kunt nu niet meer zeggen dat deze pandemie door een straffende God veroorzaakt is. Maar dan ontstaan er complottheorieën die de schuld van deze pandemie leggen bij aardse machten waar wij geen greep op hebben: de farmaceutische industrie, een geheimzinnig Chinees laboratorium dat het virus deed ontsnappen of politici die een gewone griep exploiteren om ons onze vrijheid te ontnemen. Of men hekelt de gangbare media die ons voor de gek zouden houden. Het wil natuurlijk niet zeggen dat we niet kritisch moeten zijn, maar gelukkig is er in ons land een vrije pers die overheden en andere  machten kritisch volgt.  

Overigens kunnen waanideeën ook algemeen opgeld doen in tijden dat het de mensheid ogenschijnlijk voor de wind gaat. In de negentiger jaren van de vorige eeuw, toen na de val van het communisme de koude oorlog voorbij was, overheerste een groot optimisme. Men geloofde heilig in de ‘vooruitgang’ die alle menselijke problemen zou kunnen oplossen. Dit ging samen met een heilig geloof in het liberale denken over de vrije markt. Hierdoor werd de regulerende macht van de overheid overgenomen door commerciële bedrijven. Door de financiële crisis vanaf 2008 en de Coronacrisis  worden we van wel van dit geloof afgeholpen. Maar dan groeit er tegelijk bij velen een angst om kwijt te raken wat men aan werk, erkenning, tradities en sociale geborgenheid bezit. Die angst sluit mensen af voor de kansen die nieuwe ontwikkelingen, ook door een crisis heen, kunnen bieden. Ook deze angst kan een obsessie worden.                                                                                       

In het evangelie ontmoeten we Jezus die mensen geneest van demonen en ook van waanideeën. ‘De waarheid zal u vrij maken’ zegt Jezus. En: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’. Jezus bevrijdt ons van de valse ideeën over een straffende God, maar ook van collectieve angsten die in tijden van crisis heersen. Hij wekt het goede in mensen op waardoor wij leren vertrouwen in onze medemensen op te brengen. Hij leert ons bovenal te blijven vertrouwen in de macht van God die ons ook in tijden van onzekerheid blijft leiden.

vader Paul

Overweging bij de 22e zondag na Pinksteren
Zondag 1 nov. 2020  Evangelie: Lucas 16, 91 – 31

Het evangelie van deze zondag vertelt het bekende verhaal van de arme Lazarus en de rijke vrek. Opvallend is dat Lazarus hier een naam draagt, en de rijke man anoniem blijft. Lazarus of Elazar in het Hebreeuws, betekent: God redt. Door een naam ben je pas iemand, gekend door mensen èn door God. Zonder naam blijf je in de anonimiteit, en is jouw leven zonder werkelijke betekenis.
Ons menselijk leven krijgt betekenis als we tot een echte relatie komen met een medemens, en ook met God. Door die relatie word je iemand, iemand met een naam, word je een persoon. Omdat de rijke ondanks zijn weelde en zijn feestmalen met vele gasten, geen echte relatie aangaat met de arme die bij hem op de stoep ligt, heeft zijn leven geen echte betekenis. Als we het verhaal over de arme Lazarus en de rijke vrek oppervlakkig lezen, zouden we kunnen concluderen dat wij mensen oog moeten hebben voor de armen, en hen niet mogen verwaarlozen. Maar dit is een heel algemene conclusie. Het zegt nog niet wat dit in het werkelijke concrete leven betekent. We kunnen gemakkelijk grote idealen koesteren, zoals: ‘help de armoede de wereld uit’. Maar het wordt pas concreet als een arme medemens een gezicht en een naam krijgt en concreet echt geholpen wordt.
Elders in het evangelie (Matheus 26, 6 – 13 ) lezen we hoe een vrouw bij Jezus het hoofd zalft met zeer kostbare balsem. De leerlingen reageren met de opmerking dat deze balsem een verspilling is en dat het geld van deze verkwisting beter aan de armen besteed kan worden. Dan antwoordt Jezus: ‘armen hebben jullie altijd in jullie midden, Mij heb je niet altijd’. Het Griekse woord voor arme, ptochos, betekent niet alleen materieel arme, maar duidt op ieder die in een ellendige situatie is. Jezus is hier de ongelukkige, die vlak voor zijn dood staat. En het is juist deze vrouw met haar balsem die oog heeft voor de nood van Jezus, en dit lijkt aan de leerlingen voorbij te gaan.

We moeten de Bijbel niet lezen als een boek waar het vooral over idealen gaat. In de Bijbel gaat het steeds om het concrete en niet over het algemene. Toen ik als parochiepastor op de basisschool catechese gaf, vroeg een van de kinderen eens: ‘pastor, waarom vertelt u steeds over de Joden, over mensen in de Bijbel die zo lang geleden geleefd hebben, wat heeft dat met ons te maken die nu leven?’ Ik vertelde toen dat de Bijbel de boodschap brengt dat God van mensen houdt. Maar wat betekent dat? Ik vroeg aan de kinderen of zij vriendjes en vriendinnetjes hadden, ja, die hadden zij. Maar dat betekende niet dat alle kinderen van de klas zo maar hun vriendje of vriendinnetje waren. Pas als je een kind beter leert kennen kan je er mee bevriend raken. Ik zei: zo is het ook met God: God heeft één volk speciaal uitgekozen, het volk Israël, en daarin ook weer speciale mensen, zoals Abraham, Mozes en David. Als God van mensen houdt dan is dat niet zomaar iets algemeens. Maar dan is God God voor jòu, heel persoonlijk, zoals God de God van Abraham, van Isaac en van Jacob wordt genoemd. Maar dan is God ook de God voor hem of haar, je medemens, heel concreet, de mens die naast je leeft als buurman of buurvrouw, of als die asielzoeker die je soms tegenkomt. Of, zoals bij de rijke vrek in het evangelieverhaal: de arme die bij hem op de stoep ligt.
De theoloog Klaartje Kruijff zegt in het boek van Fokke Oebema, ‘De Zin van het leven’: ‘In onze tijd ligt de nadruk sterk op autonomie en zelfredzaamheid, je moet het zelf doen en voor elkaar boksen… Maar dat is volgens mij niet de essentie….. De ander is je andere helft, dus heb ik ook te maken met het kind met pijn in het buitenland of met die verwarde man op straat. Het hangt allemaal samen, we leven niet los van elkaar. We zijn verbonden met de ander, met al wat leeft, zo je wilt met God. Op die manier geven we ons leven betekenis’.

vader Paul

Overweging bij de 21e zondag na Pinksteren
Zondag 25 okt. 2020   Evangelie: Lucas 8, 5-15

In het evangelie van deze zondag vertelt Jezus over het zaad dat een boer op zijn akker zaait. Bij het zaaien gaat een flink deel van het zaad verloren. Omdat het op de weg valt en de mensen het vertrappen, of omdat het door vogels wordt opgegeten. Een ander deel komt terecht op rotsige bodem waar het niet kan opschieten of het valt tussen doornige struiken. Uiteindelijk valt er ook wat zaad in vruchtbare bodem waar het honderdvoudige vrucht voortbrengt. Hierna legt Jezus aan zijn leerlingen uit dat met het zaad het Woord van God is bedoeld en met de vruchtbare bodem mensen met een ‘goed en eerlijk hart’.

De laatste weken benadrukken streng reformatorische christenen waarom zij op zondag toch met meer dan 30 mensen hun ( vaak grote ) kerken vullen. Zij zeggen: wij mogen het Woord Gods niet verwaarlozen. Voor hen is de gezamenlijke kerkdienst hierbij wezenlijk. Maar de vergelijking die Jezus maakt met het zaaien van een boer suggereert dat het Woord Gods ook buiten kerkmuren vrucht kan dragen. Zoals Jezus zelf zijn hoorders onderrichte zittend in een bootje of vanaf een berghelling: in de directe omgeving waar hij hen aantrof. Nu Corona ons dwingt om met minimale aantallen samen te komen, is er de eucharistievering op de TV, zijn er gestreamde kerkdiensten, en is er het internet, zoals nu via onze website, of nemen we de Bijbel zelf ter hand.

De vraag die het evangelie ons stelt is wel: hebben wij een hart dat open genoeg is om het zaad van het Woord van God in ons vruchtbaar te laten worden? In deze verwarrende tijden hebben veel mensen een bezwaard hart, zij maken zich zorgen om de gezondheid van hun dierbaren of van zichzelf. Ouderen voelen eenzaamheid door gebrek aan lijfelijke contacten omdat zij hun kinderen en kleinkinderen niet meer aan het hart kunnen drukken. Anderen zien door de epidemie hun inkomsten dalen of zelfs wegvallen en worden radeloos. Weer anderen proberen aan de druk te ontsnappen en bouwen thuis feestjes met vrienden met alle risico’s van dien. Jezus vergelijkt de doornen en distels op de akker met hen die opgaan in hun zorgen of juist wegvluchten in allerlei genoegens. Natuurlijk is het goed om bij de zorgen die je hebt wat gezonde afleiding te zoeken. Maar om het Woord van God in jouw leven te ontvangen moet je wel tot jezelf inkeren. In de uiterst moeilijke tijd van de 2e wereldoorlog schreef de joodse Etty Hillesum: “Je moet ondanks drukte, vragen en zorgen, altijd een grote stilte met je meedragen, waarin je je steeds kan terugtrekken, ook te midden van het grootste gewoel.”  Hoe vinden wij die rust?  Ga rustig zitten en let daarbij op je ademhaling. Hoe regelmatiger deze wordt, hoe beter. En wel diep vanuit je buik, niet oppervlakkig. Probeer dan bij jezelf na te gaan wat er allemaal leeft in je hart aan zorgen of aan drang om afleiding te zoeken. Vanuit deze rust kom je bij je diepste verlangen terecht. Het verlangen waarmee wij geschapen zijn, het verlangen naar vrede en liefde. Je komt uit bij de grond van je eigen bestaan. Zoals de Griekse orthodoxe  theoloog I. Zizioulas heeft gezegd: wij mensen bestaan omdat wij bemind worden. Geloof is niet gebaseerd op een rationeel bewijs dat God bestaat. Maar het is de ervaring dat ons bestaan een geschenk is. Dan moet er wel een Gever zijn. Dit besef moet ons vervullen van dankbaarheid. En dit maakt je hart open om in de onverwachte en kleine dingen die er ondanks onze zorgen nog over blijven iets van Gods liefde te zien. Een liefde die ons draagt, dwars door moeilijke tijden heen.

vader Paul

 

Preek op de 20e zondag na Pinksteren, 18 okt. 2020

De Byzantijnse traditie herdenkt vandaag de Heilige evangelist Lucas, die ook wel apostel wordt genoemd. In het boek van de Handelingen waarvan Lucas ook de auteur is wordt hij genoemd als reisgezel van Paulus. Lucas was een joodse man, afkomstig uit Antiochië, hij sprak en schreef Grieks, maar hij was door en door vertrouwd met de joodse bijbel, waar hij in zijn evangelie op talrijke plaatsen naar verwijst. Hij wordt in de byzantijnse traditie gezien als schilder van twee portretten van de Moeder Gods, oer-iconen. Wat daar dan ook historisch van waar is, in elk geval Lucas was een meester in het schilderen met woorden. Zijn verhalen van de geboorte van Jezus, de 12 jarige Jezus in de tempel, de Barmhartige Samaritaan, de Verloren zoon, de Rijke en de arme Lazarus, en de Emmaüsgangers zijn wereldberoemd geworden, en grote schilders als Rembrandt en Van Gogh hebben ze in beeld gebracht. Zo heeft Lucas een groot stempel gedrukt op onze cultuur.

In zijn evangelie benadrukt Lucas vooral hoe Jezus heel erg begaan is met arme mensen, en mensen die daardoor in nood verkeren. Ik noemde al de arme Lazarus. Niet voor niets laat Lucas de herders als eersten Jezus bezoeken na zijn geboorte in Bethlehem. Herders behoorden tot de onderkant van de maatschappij. Lucas vermeldt ook hoe Jezus vrouwen heel serieus nam en voor ze opkwam. Als enige evangelist noemt Lucas de vele vrouwen die Jezus volgden, en hoe Jezus op bezoek ging bij Martha en Maria. En zojuist hoorden we hoe Lucas beschrijft dat Jezus begaan is met een arme weduwe die haar zoon moet begraven. Een vrouw alleen, een gescheiden vrouw en zeker een weduwe, was eigenlijk rechteloos en raakte gauw aan de bedelstaf, zeker als de enige man die voor haar nog overblijft, haar zoon, haar ontvalt.
Voorop het liturgieboekje zien we een schildering van een jonge Nederlandse kunstenaar die haar wanhoop heel mooi uitbeeldt. Toen de Heer haar zag, zegt het evangelie, werd Hij door medelijden bewogen. In het Hebreeuwse woord dat hier achter zit wordt gezegd dat zijn hart omdraait, ja, letterlijk dat hij tot in zijn ingewanden om haar bewogen is. Een uitdrukking die bij uitstek van God zelf wordt gezegd. Jezus handelt hier helemaal uit de macht van God. God die de machten van chaos en dood te lijf gaat, zo wil Jezus het leven weer leefbaar maken voor deze vrouw en zo wekt Hij haar enige zoon die gestorven is ten leven. Natuurlijk is dit verhaal ook een verwijzing naar de verrijzenis van Jezus zelf uit de dood. Ook Hij is de enige zoon. En zo wordt de macht van God die chaos en dood wil overwinnen openbaar.

Lucas was ook een arts. Als arts zal hij bekommerd zijn geweest om ieder die door ziekte of dood bedreigd werd. Er is in ons land een arts die mij aan Lucas doet denken. Zijn naam is Gor Khatchikyan. Hij is geboren in Armenië, maar samen met zijn ouders is hij als jonge vluchteling in ons land terecht gekomen. Hij is dit jaar bekend geworden door de manier waarop hij in Nieuwegein Corona patiënten begeleidt. Zijn diepste motivatie is hierbij een heel sterk geloof. Daardoor weet hij zich door God geroepen. Hij zegt: “ik benut naast de stethoscoop mijn Bijbeltje. Ik zeg tegen angstige patiënten: wij doen alles om u te helpen zodat u weer beter mag worden. Maar als dat soms niet lukt wil ik die patiënt helpen om waardig te kunnen sterven”. God zorgt voor zieken en kwetsbare mensen door bemiddeling van artsen, verpleegkundigen en andere medemensen die zich helemaal in oprechtheid en dienstbaarheid durven te geven voor het geluk van anderen. In navolging van Jezus. Op dit moment is deze Armeense arts heel erg begaan met het lot van zijn landgenoten die in Nagorno Karabag in een oorlog zijn geraakt. Dit is een enclave van Armeense christenen te midden van het omringende moslimland Azerbeidzjan Talloze onschuldige burgers zijn gedood door de Azerbeidzajaanse  bombardementen. Deze Armeense christenen dreigen verjaagd te worden van hun grondgebied. Er is officieel een wapenstilstand, maar deze wordt herhaald geschonden.
Bidden wij vandaag ook om vrede in dit gebied.

Zondag van de Vaders van het zevende oecumenische concilie (11 oktober 2020)
Evangelielezing: Johannes 17, 1-13

De byzantijnse traditie herdenkt op deze zondag het zevende oecumenische concilie van het jaar 787. Dit concilie bevestigde de grote betekenis van de verering van iconen na de grote strijd van het vernietigen van iconen onder leiding van Byzantijnse keizers in de eerste helft van de achtste eeuw, ook wel het iconoclasme genoemd. Het concilie benadrukte dat God in Jezus mens is geworden. Niet enkel voor de 33 jaren dat Jezus op aarde rondging, maar voor altijd. Daardoor heeft God zijn beeld, eikon in het Grieks, aan ons mensen geschonken.
Door middel van iconen is dit beeld als portret onder ons bewaard gebleven. Door iconen ziet Jezus ons met zijn ogen aan. Zo zien wij de blik van God: met mededogen en tegelijk met een dringend appèl. En zo worden we uitgenodigd om te leven als kinderen van één Vader en hierdoor als broeders en zusters van elkaar.

In het evangelie van deze zondag horen we het hogepriesterlijk gebed van Jezus, het slot van de lange afscheidsrede die Jezus hield bij het laatste avondmaal. Daarin bidt Jezus dat zijn leerlingen één mogen zijn, zoals Jezus en de Vader één is.
Dit sluit helemaal aan op wat Paus Franciscus schrijft in zijn nieuwe encycliek: Fratelli tutti, gij zijt allemaal broeders, woorden van de heilige Franciscus van Assisi. Hier volgen 10 opmerkelijke citaten:

  • Deze encycliek bevat een droom van broederschap en sociale vriendschap als reactie op de vele manieren waarop mensen vandaag de dag uitgeschakeld of genegeerd worden
  • Isolatie: Nee! Nabijheid: Ja!                                                                                                Cultuur van confrontatie: Nee! Cultuur van ontmoeting: Ja!
  • Wie een muur optrekt, eindigt als een slaaf binnen de muren die hijzelf heeft opgericht.
  • De geschiedenis van de barnhartige Samaritaan herhaalt zich: sociale en politieke verwaarlozing maakt veel plaatsen in de wereld tot desolate plekken.
  • De loutere som van individuele belangen is niet in staat een betere wereld te genereren voor de gehele mensheid.
  • Emigranten dienen te worden verwelkomd, beschermd, gestimuleerd en geïntegreerd.
  • Zelfs in de politiek is er ruimte voor tedere liefde. Tederheid is het pad van de moedigste en sterkste mannen en vrouwen.
  • We kunnen geen digitale wereld accepteren die de zwakheden van de mensen exploiteert en het ergste in mensen naar boven haalt.
  • Er zijn niet alleen stukken oorlog in deze wereld, maar we beleven een wereldoorlog in stukken. Populisme, vrijheidsdrang zonder met anderen rekening te willen houden en individualisme leiden tot uitbuiting en uitsluiting van de ander.
  • Vrede tussen religies is mogelijk: het uitgangspunt moet de blik van God zijn. Godsdiensten roepen geen gevoelens van haat, vijandigheid of extremisme op. Ze roepen niet op tot geweld of bloedvergieten. Als dit wel gebeurt zijn het afwijkingen van de religieuze leer, politiek misbruik en machtsmisbruik door bepaalde groepen. De almachtige God heeft geen behoefte aan zogenaamde verdedigers en wil niet dat zijn naam gebruikt wordt om mensen te terroriseren.

Genoeg stof om over na te denken!

vader Paul

 

Overweging bij de 18 e zondag na Pinksteren 4 okt. 2020
Evangelie: Lucas 5, 1- 11
 
Na de wonderbare visvangst waar dit evangelie van vertelt, roept Petrus uit: ‘Heer, ga weg van mij want ik ben een zondig mens’. Hij was verbijsterd over de grote hoeveelheid vis die ze gevangen hadden. Hij ziet in Jezus een goddelijke macht en dat dwingt hem op de knieën. Dit lijkt op de Profeet Jesaja. Deze krijgt in de tempel een visioen van God, gezeten op een verheven troon, hij ziet engelen die het ‘heilig, heilig, heilig’ zingen. Hij roept uit: ‘wee mij, ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen en ik leef te midden van een volk met onreine lippen.’ Petrus en Jesaja zijn zich bewust van hun menselijke zondigheid, tegenover de heiligheid van God. Zoals wanneer het volle zonlicht in je kamer schijnt en je alle kleine stofdeeltjes op de vloer ziet liggen. Jesaja erkent dat zijn zondigheid niet alleen van hemzelf is : ‘ik leef te midden van een volk met onreine lippen’.

 

Wij leven vandaag de dag in een individualistische cultuur. Fouten en zonden worden gezien als fouten van de enkeling. Maar in feite zijn wij mensen zondig met elkaar. Wij apen elkaar voortdurend na, ook in de verkeerde dingen. In onze manier van leven, zonder er bij na te denken dat de meeste etenswaren 30.000 km hebben afgelegd voordat ze op ons bord komen. Zonder te bedenken hoeveel water er gebruikt wordt om het katoen voor onze kleding te produceren. En hoeveel spullen gooien we na gebruik weer niet weg? Wij wijzen ook voortdurend met de vinger naar anderen die het verkeerd doen, naar die steenrijke en machtige wereldleiders bijvoorbeeld, die de waarheid verdraaien en uit zijn op eigen macht en gewin. Daarmee kijken we van onszelf weg en maken wij onszelf wijs dat wijzelf brandschoon zijn.
De grote heiligen treuren altijd 
om de fouten en de zonden van andere mensen, als iets waar zij op een of andere manier aan deelhebben. De heilige Silouan van de berg Athos die daar in de vorige eeuw leefde herinnerde zich voortdurend een voorval uit zijn eigen jeugd dat hem nog altijd achtervolgde. Als boerenjongen in een dorp bespeelde hij een accordeon. Toen wilde een andere jongen zijn   instrument van hem afpakken. Dit pikte hij niet en ook om indruk op de meisjes te maken gaf hij die aanvaller een zware klap op het hoofd. Die had daar maanden lang nog last van. De latere monnik Silouan voelde hier voortdurend berouw over: ‘hij had wel dood kunnen vallen door mijn harde klap, ik had gewoon met mijn accordeon weg moeten rennen’.
De 
mogelijkheid om het kwade te doen is er in elk van ons. Niemand is vrij van agressie jegens anderen. Het ligt heel erg aan de omstandigheden waarin je leeft, hoe je opgevoed bent, of je voldoende liefde en erkenning van anderen kreeg, hoe je je in het leven gedraagt. Na de wonderbare visvangst worden de vissen in een groot net verzameld. Dit is een beeld van de kerk, waar wij mensen, als wezens met goed en kwaad in onszelf, bij elkaar gebracht worden. Waar Christus en de Heilige Geest in ons werken om elkaar te leren vergeven, en wij zo geleidelijk omgevormd worden tot nieuwe mensen.

 

Maar ook buiten de zichtbare kerk gebeurt dit. Ik las in de krant over een theatervoorstelling in de Utrechtse Van der Hoevenkliniek. Patiënten van de gesloten afdeling, TBS-ers, voeren samen met vier buurtbewoners en twee begeleiders een toneelstuk op. Die TBS-ers hebben vaak heel gruwelijke dingen gedaan. Maar een van de buurtbewoners die meespeelt zegt: ‘ik hoef niet te weten waarom zij hier zitten’. Een ander zegt: ‘In het begin was het even aftasten, maar al snel was het ijs gebroken’. Het toneelspelen geeft de patiënten de kans om bij zichzelf menselijke gevoelens te ontdekken en een andere manier van gedrag te leren. Dit werkt mee aan hun re-integratie in de maatschappij. Goed dat dit gebeurt!


vader Paul


Overweging bij de 17e zondag na Pinksteren:
27 september
Evangelie Mattheus 15, 21 – 29

In dit stukje evangelie wordt Jezus gecorrigeerd, en nog wel door een heidense vrouw. Jezus heeft zich teruggetrokken uit Galilea, Hij is in heidens land terecht gekomen en daar komt een  Kananese vrouw op hem af en deze roept alsmaar: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, want mijn dochter is bezeten’. Jezus negeert haar, de apostelen dringen eropaan dat Jezus haar wegstuurt, want zij blijft maar roepen. Dan antwoordt Jezus dat Hij alleen voor de Joden gezonden is. Maar de vrouw geeft niet op, zij toont haar diepe vertrouwen in Jezus. En dan zegt Jezus: het is niet goed het brood van kinderen aan honden te geven.
Het klinkt ons buitengewoon cru uit de mond van Jezus: heidenen met honden vergelijken. Maar Jezus blijkt hier mens te zijn, gewoon mens, kind van zijn volk, dat gewend is zo over andere volken te praten. En opnieuw laat deze moedige vrouw zich niet afschepen en heeft een weerwoord: de hondjes eten toch ook van de brokken die van de tafels vallen! Ze is als een terriër die niet loslaat. En dan gebeurt het: Jezus laat zich overtuigen door het grote vertrouwen van deze vrouw. Haar dochter wordt genezen.

Dit verhaal maakt duidelijk wat het betekent dat God in Jezus werkelijk mens is geworden. Als kind dachten we vaak dat er in Palestina een God op aarde rondliep die alles wist en die nooit een vergissing kon maken. Die als kind en jongeman al alles van Gods alwetendheid en almacht in zich had. Totdat ik jaren geleden de film van Dennis Potter 'de Mensenzoon' zag waar wordt uitgebeeld hoe Jezus zijn roeping ontdekte op het moment dat hij door Johannes gedoopt was. Hij grijpt met zijn handen naar zijn hoofd, zo laat de film zien, en hij schreeuwt het uit: 'ik ben het, ik moet het zijn, de Messias'. De betekenis van deze verschrikkelijke roeping, helemaal de man van God te zijn, dringt in alle hevigheid tot hem door. En zo kunnen we ook voorstellen hoe Jezus vol angst en beven de berg Tabor op gaat, en steun zoekt bij zijn drie beste vrienden, omdat hij beseft dat zijn zending wel eens op de dood kan uitlopen. Jeruzalem wordt voor hem het hol van de leeuw. En dan gebeurt het dat Mozes en Elia hem verschijnen en dat Hij door Gods licht geraakt en doorstraald wordt. Zo wordt Jezus gesterkt om de weg naar het lijden te gaan. Totdat Jezus in Gethsemani opnieuw overvallen wordt door angst en twijfel met de bekoring om het op te geven. Wat een worsteling moet dat geweest zijn!

God is in Jezus werkelijk mens geworden: een mens met bekoringen, een mens ook die niet anders dan een kind van zijn volk, een kind van zijn tijd is. Maar die wel steeds een onverwachte overgang beleeft.
Later, na zijn dood verschijnt Jezus aan Saulus als deze als verwoede christenvervolger op weg is naar Damascus. Jezus geeft hem de opdracht Hem te verkondigen aan de heidenvolken. Vanaf dan heet hij Paulus. De Jezus ruimte is groot en wijds. Gods Geest werkt overal.

De Nederlandse pater Frans van der Lugt ( 1938-2014 ) heeft zich in Syrië bijzonder ingezet om grenzen te overschrijden. Hij had een luisterend oor voor mensen van verschillende geloofsovertuigingen. Iedereen kon altijd bij hem terecht, dag en nacht. Hij organiseerde voettochten voor katholieke, orthodoxe en andere christenen, en daarbij waren ook allerlei soorten Moslims: Soennieten, Sjiieten, Salafisten, Jihadisten en Alevieten. Ze liepen in groepen van 20, ongeveer 20 km per dag. Zo leerden zij elkaar beter kennen en waarderen. Pater Frans liet als volgeling van Christus merken dat iedereen meetelt. Hij richtte een wooncentrum op voor gehandicapten en bezocht regelmatig politieke gevangen. Hij offerde er vaak zijn nachtrust voor op. En…zijn leven. Hij werd gruwelijk door een sluipschutter vermoord.

vader Paul

 

Preek op de zondag na kruisverheffing

In het evangelie vraagt Jezus van zijn volgelingen dat zij hun kruis zullen dragen. Je kruis dragen wat is dat? Er zijn verschillende vormen van lijden. Wereldwijd lijden mensen door de gevolgen van de Corona-epidemie, in arme landen nog veel erger dan in ons land. Er is lijden door ziekte of rampen dat bijna ondragelijk kan worden. De bijbel vertelt over Job. Job klaagt tegen God over zijn diepe ellende. Hij vindt dat hij onschuldig is. Maar de boodschap van het boek Job is niet dat Job dit lijden maar geduldig moet dragen, maar dat Job toch op God blijft vertrouwen en dat God hem in zijn ellende uiteindelijk niet in de steek laat. Als Jezus ons vraagt ons kruis te dragen dan is dit soort lijden hier nog niet mee bedoeld. En ook niet het lijden dat mensen zichzelf aandoen. Wat is dat dan voor lijden? Wij mensen hebben de neiging om onszelf te vergelijken met anderen. Zo kun je je als kind ongelukkig voelen als jij in de klas lagere cijfers haalt dan je klasgenoten. Wie als volwassene ontdekt dat zijn buurman veel meer verdient dan hij, kan vanaf dan klagen over zijn salaris. Toen mensen in arme landen een TV kregen en de weelde van de rijke landen zagen werden zij veel minder tevreden. Het jezelf vergelijken met anderen kan ertoe leiden dat je je slachtoffer voelt, en vaak blijven mensen hangen in die slachtofferrol. Alle blijheid verdwijnt uit hun leven. Die blijheid keert pas terug als zij hun frustratie te boven komen. Dat gaat niet vanzelf. Er moet iets met een mens gebeuren, van buiten af. Een ervaring dat al het goede in het leven een geschenk is, en dat je dankbaar kunt zijn om de kleinste dingen. Kijk naar de lelies in het veld, de vogels in de lucht, zei Jezus. Jezus zag in alles de goedheid van God zijn Vader. En vanuit die ervaring kon Jezus zich aan andere mensen in liefde geven, helemaal. Maar dit bracht hem wel in moeilijkheden. Hij at samen met zondaars en tollenaars en daar werd Hij om ter dood veroordeeld. En zo gaf Hij zich zelf in liefde tot op het kruis. En ook al bad hij op het kruis God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, toch stierf Hij in overgave aan God: Vader  in uw handen beveel ik mij. Wie echt beseft dat het leven een gave is van een goede Gever, kan de moeite opbrengen om zich in liefde aan anderen te geven.  Ik sprak een jongeman, ZZP’er, die door Corona de helft van zijn inkomen moet missen. Hij kwam een leeftijdgenoot tegen, een kunstschilder, die nog veel moeilijker kan rondkomen dan hij. Die ZZP’er kocht voor 500 euro een schilderij van die schilder en toen ie thuis kwam besefte ie dat deze uitgave eigenlijk te veel voor hem was. Maar onverwachts kwam er voor deze ZZP’er in diezelfde week een financiële meevaller waar hij niet op gerekend had. Dit was, zo zei hij, voor hem een teken dat er in het leven een verborgen kracht is, je kunt dat God of goddelijk noemen, die ons mensen aanzet tot liefde en die je daarbij beloont. Je mag niet op die beloning rekenen, soms duurt het een tijd voordat je iets van die beloning ziet. De beloning hoeft ook helemaal niet geld of iets materieels te zijn, het kan ook het geluk zijn door wat anderen je aan liefde teruggeven. Je kruis dragen betekent dat je jezelf aan anderen durft te geven, in liefde of voor de goede zaak. En dat je de moeite of pijn die dit kost durft te dragen. Het is durven leven in vertrouwen dat wij in ons leven gedragen worden door een hele grote liefdevolle macht. Op het kruis van Jezus volgt Verrijzenis. Wij aanbidden dan ook dit Kruis, straks na deze liturgie.

vader Paul


Overweging op de zondag vóór Kruisverheffing (13 sept 2020) 
Evangelie: Johannes 3, 13 –17

We lezen in het evangelie van deze zondag: ‘God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om over de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered’. Met het woord ‘oordelen’ is veroordeling en afwijzing bedoeld. Jezus weigert dit laatste op talloze plaatsen in het evangelie. Tegen de vrouw die betrapt was op overspel zei Jezus: ‘ik veroordeel u niet’, nadat de mannen die haar bedreigden afdropen na Jezus’ opmerking: ‘wie van jullie zonder zonden is werpe het eerst een steen op haar’.
Op Jezus is van toepassing wat de profeet Jesaja over de Dienaar van JHWH profeteerde: ‘Hij roept niet, hij schreeuwt niet, hij zal het geknakte riet niet breken en de kwijnende vlam niet doven.’

In  de parabel over het onkruid op de akker willen de knechten van de boer het onkruid uitroeien, maar deze zegt: ‘Nee, laat onkruid en tarwe samen opgroeien tot de oogst.’ Het gaat hier om Gods geduld met ons mensen, bij wie goed en kwaad met elkaar verweven zijn. En zo toonde Jezus compassie met zondaars en tollenaars met wie hij aan tafel aanzat, en wilde hij uitgerekend in het huis van de tollenaar Zacheus als enige in Jericho te gast zijn. Dit uitblijven van enige veroordeling was zo overrompelend dat Zacheus het  geld terug gaf aan wie hij benadeeld had.
Jezus kwam op voor mensen op wie door de rest van de samenleving werd neergekeken, ofwel omdat ze een foute levenswandel hadden, ofwel omdat men meende dat hun ziekte of lichamelijk gebrek een straf van God was. Maar toch oordeelde Jezus hard over diegenen die zich ver boven anderen verheven voelden, omdat ze zichzelf perfect achtten, zoals sommige Farizeeën en schriftgeleerden. ‘Jullie zijn witgepleisterde graven, van buiten mooi, maar van binnen vol rottigheid en bederf.’ En: ‘Ik ben gekomen om blinden de ogen te openen, maar ook om de blindheid van de zienden aan het licht te brengen’, zo zegt Jezus in het verhaal over de genezing van de blindgeborene.  Dit was niet zozeer een veroordeling die een afwijzing inhoudt, maar een ontmaskering. Deze ontmaskering was nodig om hen van hun eigenwaan te redden. Maar het hielp vaak niet. Uiteindelijk leidde het optreden van Jezus, zijn omgang met zondaars en tollenaars tot zijn veroordeling tot de kruisdood.
Zo droeg hij het lot van allen die door afwijzing van de kant van hun medemensen uitgerangeerd zijn. Toch werd zijn kruisdood onze redding, want het is het grote teken van Gods vergeving, voor ieder die daar voor open staat: ‘Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen’. Uiteindelijk is er wel een laatste oordeel. Zoals het in de parabel wordt verteld: ‘als de oogsttijd daar is wordt het onkruid bijeen geraapt en verbrand en wordt de tarwe opgeslagen in mijn schuur.’

Gods beslissend oordeel gebeurt met rechtvaardigheid maar vooral ook vanuit barmhartigheid, zo geloven wij. Eigenlijk veroordeelt ieder die deze barmhartigheid afwijst zichzelf, als men meent geen vergeving nodig te hebben. Maar het idee van een goddelijk oordeel leeft nauwelijks meer in deze moderne tijd. De bekende Vlaamse kerkjurist Rik Torfs zegt in een interview: ‘Er is geen goddelijk oordeel meer, maar wij oordelen intussen snoeihard over elkaar, en vooral over publieke figuren. Vanuit het idee dat alles maakbaar is, ook de mens, gaat wie niet perfect is de mestvaalt op. Iedereen kan zomaar aan de schandpaal belanden en ruimte voor barnhartigheid en vergiffenis is er nauwelijks meer’. Wij leven in een wereld die de pretentie en de eis heeft dat wij mensen perfect moeten zijn. Dit zet steeds meer mensen, en vooral ook jongeren, onder druk en leidt maar al te vaak tot stress en overspannenheid. Het kruis van Jezus leert ons om mild en vergevingsgezind met elkaar te leven.

Vader Paul

 

Overweging op de 14 e zondag na Pinksteren (6 sept. 2020)
Evangelie: Mattheus 22,1-14
 
In het evangelie van deze zondag vertelt Jezus de parabel van het koninklijke bruiloftsmaal. Een Koning nodigde gasten uit voor het bruiloftsfeest van Zijn Zoon. Maar deze eerst genodigden wilden niet komen. Ze waren druk bezig op hun akker, of in hun business. Dan stuurt de koning zijn dienaren naar de kruispunten van de wegen om ieder die zij tegenkomen voor het feest uit te nodigen, ‘slechten zowel als goeden’. De bruiloftszaal liep vol. Maar onder de aanwezigen is er iemand die geen bruiloftskleed aanheeft. Wie is hier mee bedoeld?
We zouden kunnen denken aan iemand met een verkeerde levenswandel. Maar eerder is al verteld dat onder die gasten naast de goeden ook de slechten behoorden. Het gaat hier kennelijk niet om een louter moreel gebrek. Maar wat dan wel? In de Byzantijnse liturgie van de Heilige Grote week voor Pasen, de Goede Week, wordt een gezang gezongen met de tekst: ‘Uw bruiloftszaal, mijn Verlosser, zie ik rijk versierd. Maar ik heb geen kleed om daar binnen te treden. Maak weer stralend het gewaad van mijn ziel, Schenker van het Licht, en verlos mij’. De voorwaarde om aan het bruiloftsfeest deel te kunnen nemen is het besef dat je verlossing nodig hebt. Je leven kan er prachtig uitzien, als een rijk versierde feestzaal. Je hebt successen behaald, je hebt werk dat je veel voldoening geeft, relaties met andere mensen die je gelukkig maken, je hebt je talenten volop kunnen ontplooien, en toch ontbreekt er iets.
 
In de Bijbel wordt de mens getekend in zijn grootheid, maar ook in zijn tekort. De apostel Paulus tekent de tragiek van ons mensen in zijn brief aan de Romeinen ( hoofdstuk 7, 15): ‘Wat ik doe doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat mij tegenstaat’. Je kunt als mens nog zo succesvol en gewaardeerd zijn, we hebben allemaal deel aan wat er mis gaat in de wereld. We kunnen ons geen van allen onttrekken aan het kwaad in de wereld, alsof het alleen maar iets van anderen is, alsof we zelf daar in blanke onschuld buiten staan. Jezus veroordeelt de hoogmoedige Farizeeër die hoog opgeeft over zijn eigen deugden maar die neerziet op de tollenaar met al zijn fouten. Wij mensen leven niet meer in het Paradijs en verdreven uit het Paradijs ontdekten de eerste mensen, ‘dat zij naakt waren’. In het paradijs, zo zeggen de kerkvaders, waren de eerste mensen bekleed met louter licht. Maar zij verloren het kleed van de onschuld. Daarom klinkt het in de Goede Week: ‘Maak weer stralend het gewaad van mijn ziel, Schenker van het Licht’. Op de berg Tabor verschijnt Jezus als de nieuwe mens in een kleed van stralend licht voor de verwonderde ogen van zijn drie uitverkoren apostelen. Als een belofte dat al zijn leerlingen met dit kleed van licht bekleed zullen mogen worden. Door Christus mogen wij nieuwe mensen worden. Ondanks dat ook wijzelf deel hebben aan de praktijken van het kwaad. Het dragen van een bruiloftskleed betekent dat wij enkel kunnen leven uit Genade. Daarom hebben wij bij ons doopsel een wit kleed ontvangen. Want wij mogen door Christus nieuwe mensen zijn. Het is Zijn Geest die dit bewerkt. Niet langer leven wij enkel op onszelf en voor onszelf. Wij zijn opgenomen in een gemeenschap die door Christus en Zijn Heilige Geest bijeen gehouden wordt.
Wat is het dan mooi, dat wij als byzantijnse gemeenschap dit lijfelijk kunnen weer beleven als wij op 20 september onze viering in Utrecht kunnen houden, ook al zal nog niet iedereen er echt bij kunnen zijn. Op dinsdag 8 september vieren wij het feest van de geboorte van de Moeder Gods, Maria. Op iconen duidt de dieprode kleur van haar mantel aan dat zij geheel bekleed is
met genade, terwijl haar onderkleed in blauw of groen haar mens-zijn uitbeeldt. Zij is mens net als wij, maar wijst ons op onze bestemming. 

vader Paul

 

Overweging op de 13e zondag na Pinksteren (30 aug.) 

In de Bijbel komen we het joodse volk op twee manieren tegen. Allereerst als mensen onderweg, zonder thuis. Abraham en zijn familie zochten een nieuw land. Zijn nakomelingen werden slaven en vreemdelingen in Egypte. Ze werden vluchtelingen in de woestijn, en later berooide ballingen in Babylon. Als vreemdelingen, vluchtelingen en ballingen leven ze van wat ze met hun vee of onderweg aan voedsel vinden, zij ervaren het als gave van God die hen niet laat omkomen van de honger.
Daarnaast ontmoeten we de Joden ook als de gesettelde bewoners van het land van Belofte. En zo worden ze in het evangelie van vandaag geschilderd als werkers in de wijngaard ( Matheus 21, 33 – 42 ). Jezus sluit met deze parabel aan bij de profeet Jesaja. Het is God zelf die de wijngaard aanlegt, zo zegt de profeet, er vol zorg de stenen verwijdert, er edele wijnstokken in plant en er een perskuip in bouwt. God laat er zijn volk als pachters in werken, in de hoop dat zij er ook de goede vruchten van voortbrengen. Maar dit gebeurt niet. Zoals de nomaden in de woestijn in de verleiding komen om het vertrouwen in God op te geven en terug te verlangen naar de onvrijheid in Egypte, zo laten ook deze gesettelde wijnbouwers het afweten: God verwachtte goede druiven, maar het werd enkel bocht, God verwachtte ‘goed bestuur, maar het werd enkel bloedbestuur, rechtsbetrachting, maar het werd rechtsverkrachting’. In de evangelieparabel stuurt God als eigenaar van de wijngaard zijn dienaren, de profeten, om de vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen, maar de pachters mishandelden en doodden deze profeten. Tenslotte stuurt de Eigenaar zijn Zoon, maar ook die wordt gedood.
Aldus schildert Jezus de teleurstelling van God in zijn volk. Het gaat hier niet enkel om het joodse volk, maar om ons allemaal.

Israël is in de Bijbel ‘pars pro toto’, symbool van de gehele mensheid. God heeft ons mensen in deze aarde met al zijn mogelijkheden en rijkdom de kans gegeven om hier in vrede en welvarend te leven. Maar we zien om ons heel wat er van terecht komt. Hoe de aarde uitgebuit en leeggeplunderd wordt en met vergiftiging en vervuiling wordt bedreigd. Het is bijna 1 september, en in navolging van het patriarchaat van Constantinopel heeft paus Franciscus deze eerste september uitgeroepen tot dag van de zorg voor het behoud van de schepping. In de encycliek Laudate Si wijst hij de weg naar een eerbiediger omgang met de ons gegeven schepping. En hij verwijt de gesettelde welgestelden dat zij de armen in de wereld tot slachtoffers maken van hun levensstijl.                                                                           

De heilige Augustinus, 28 augustus was zijn feestdag, vertelt in zijn Belijdenissen hoe hij als 16 jarige jongen met vrienden peren stal. Hij ziet dit als symbool van het kwade in ons mensen. Hij had thuis veel mooiere peren tot zijn beschikking, maar het stelen zelf gaf een genot dat onweerstaanbaar was. Bovendien,  schrijft hij, zou ik op mijn eentje, nooit tot die diefstal zijn gekomen, maar ik wilde niet onderdoen voor mijn vrienden en deed enthousiast met hen mee. Augustinus wijst erop dat wij mensen ons blind staren op de geschapen dingen en de Gever van alles die ons zijn liefde bewijst in de geschapen dingen verwaarlozen. En hoe wij elkaar meesleuren in deze verkeerde manier van omgang met de dingen. Achter de geschapen dingen moeten wij allereerst God zoeken. Van Hem uit zullen wij de aardse dingen zelf meer in hun waarde kunnen schatten en tot recht laten komen. Dan kun je ook met weinig heel tevreden zijn en voor alles en in alles God kunnen eren en danken. De Belijdenissen heeft Augustinus dan ook als één doorlopende lofprijzing geschreven.

vader Paul 

 

Overweging voor 12e zondag na Pinksteren (23 augustus) 
Het evangelie van deze zondag ( Matheus 17, 14 – 23 ) volgt op de verheerlijking van Jezus op de berg Tabor. De tegenstelling kan niet groter zijn: boven op de berg de overrompelende ervaring van een overweldigend licht, dat van Jezus afstraalt, beneden onder de berg de ontreddering van een wanhopige vader om zijn epileptische zoon en de onmacht van de achtergebleven leerlingen die de jongen niet kunnen genezen. Dan roept Jezus uit: ‘O ongelovig en verworden geslacht, hoe lang nog moet ik bij jullie zijn, hoe lang nog moet ik jullie verdragen’. Jezus zegt dan aan zijn leerlingen dat zij de jongen niet konden genezen om hun gebrek aan geloof. Dit roept de vraag op: hoe zit het eigenlijk met òns geloof?
Jezus zegt dat je geen groot geloof hoeft te hebben. Integendeel, al heb je een geloof, dat zo klein is als een mosterdzaadje, dan nog kun je er bergen mee verzetten. Wat is dan bedoeld met dit klein geloof? Veel mensen maken van het geloof te veel een zaak van hun verstand en dat is een grote misvatting. Denkend met je verstand alleen kun je de maagdelijke geboorte van Jezus uit Maria en Zijn verrijzenis uit de dood moeilijk aannemen, omdat het ingaat tegen onze logica. Dan ga je ook twijfelen of bidden tot God iets oplevert.
Maar geloven is veel meer een zaak van het hart. Iets heeft je zo diep geraakt dat het in je binnenste tot leven komt. Het is je overvallen en je kunt niet anders meer dan je overgeven aan iets dat veel groter is dan jezelf, en veel groter is dan je verstand. ‘Credo quia absurdum’: ik geloof omdat het absurd is, schreef de kerkvader Tertullianus. Credo quia absurdum is juist een argument om wèl te geloven. Omdat je diep in je hart geraakt bent door iets dat oneindig groter is dan ons menselijke redeneren erken je de waarheid van het geloof terwijl het zo ‘absurd’ lijkt.

Zo’n geloof mag dan best een ‘klein geloof’ zijn, zo leert Jezus, een geloof dat vol met vragen zit, een geloof dat ook niet overal een antwoord op weet. Maar waarbij je wel ontvankelijk bent voor het wonder, voor wat groter is dan wijzelf. Je weet je aangeraakt door iets buiten jezelf en je laat je bij dat grote betrekken. Het gaat samen met een oproep, en de bereidheid om daar aan gevolg te geven. 

Dan wordt bidden ook anders. In plaats van tot God te roepen: ‘o God, doet er iets aan, aan de ellende hier, o God kom in beweging’, besef je dat God mijzelf in beweging wil krijgen. God brengt ons niet op een presenteerblaadje een andere wereld waarin onze probleem in een oogwenk opgelost zijn. Maar God zaait in ons hart een zaadje, zo klein als een mosterdzaadje en van daar uit kan een nieuwe wereld uitbloeien. Er ontstaat geloof, hoop en liefde en zo kunnen mensen het vol houden, ook in uiterst moeilijk situaties. 

Afgelopen zondagavond was op TV de documentaire ‘For Sama’. Een beeldverslag van het met bombardementen belegerde Aleppo. Gefilmd door een journaliste die met haar man, een arts, en hun pasgeboren dochtertje, Sama, tot het laatste toe in de steeds meer vernietigde stad blijven, uit solidariteit met de slachtoffers. Wonend  in een noodziekenhuis dat niet op de kaart staat zodat het niet zoals alle andere ziekenhuizen door de granaten en vatbommen van het Syrische regeringsleger of door de Russische vliegtuigen kapot geschoten wordt. Op het laatst is de gehele stad door de Syrische machthebbers heroverd. Dan kunnen deze helden alleen nog maar vluchten om hun leven te redden. Wat ze meenemen is een plant uit hun tuin, met knoppen die elders zullen uitbloeien. De film is een lofzang op het leven, te midden van het geweld van de bommengooiers. Deze machthebbers gaan enkel uit van hun eigen logica en hebben hun menselijk hart op slot gedaan.  Dit is even absurd als de houding van de rest van de wereld, die niets doet om het doden van burgers, en vooral van kinderen te stoppen.  Geloven zoals Jezus het bedoelt is je verzetten tegen alles wat het leven zoals God het geeft wil vernietigen. Het is liefde overeind houden in een vaak absurde wereld.   

vader Paul


Overweging voor zondag 16 augustus 
Er waren deze maand twee belangrijke kerkelijke feesten.
Op 6 augustus het feest van de verheerlijking van Jezus op de berg Tabor. Jezus openbaarde aan drie uitverkoren leerlingen zijn goddelijke heerlijkheid.  Zijn gelaat glansde en zijn kleren werden stralend wit.  Het licht van zijn toekomstige Verrijzenis brak voor een moment door, terwijl de duisternis van zijn naderend lijden en dood steeds meer dreigde.
Op 15 augustus, gisteren, was er het feest van het ontslapen van de Moeder Gods, de ten hemelopneming van Maria. Ook hier wordt ons een hemels perspectief geboden. Na Christus zal zijn moeder delen in zijn hemelse heerlijkheid, als een belofte voor ons allemaal. Beide feesten tonen ons dat deze aardse zichtbare  werkelijkheid niet op zichzelf bestaat, maar ingebed en opgenomen is in een onzichtbare goddelijke wereld. Soms breekt die wereld bij ons binnen, als troost en als belofte van een luisterrijke toekomst.

Ik herinner mij een vakantie ervaring, zo’n veertig jaren geleden. Wij keerden met ons tentje terug uit Noorwegen en voeren op een schip van Oslo over de Sont naar Denemarken. De avond viel en de zon stond laag boven een rimpelloze zee. Op het achterdek zat ook een groep Engelse soldaten. Begeleid met een gitaar zongen zij Negro Spirituals: “He’s got the whole world in His hands, Hij draagt de hele weidse wereld in Zijn handen” en wij, de overige passagiers, zongen allemaal mee. Een onvergetelijk vredig moment. Wij voelden: ons bestaan is geen verlorenheid, maar ten diepste geborgenheid. En die ervaring brengt ons als mensen ook tot elkaar ondanks onze verschillen. Onze westerse cultuur erfde heel veel van het Christendom. Maar veel mensen raken hier nu vervreemd van. Ik vraag mij af of nu nog een boot vol toeristen dit lied van harte kan meezingen. Gaan we terug naar het heidendom?

Ik heb mij in de afgelopen zomertijd verdiept in de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Ik las de trilogie van de schrijver Robert Harris over Cicero: Imperium, Lustrum en Dictator. De advocaat, rechtsgeleerde en politicus Cicero leefde van 106 voor Chr. tot 43 voor Chr. Hoe beleefden de ontwikkelde Romeinen in die tijd hun wereld? De oude goden hadden veel aan geloofwaardigheid ingeboet, zij boden geen houvast meer en geen echte bescherming. Wie toen in een slapeloze nacht naar de sterrenhemel keek voelde ‘de onmetelijke onverschilligheid van het universum’. Maar ook de politieke wereld was er uiterst onveilig. De hoogstaande Cicero, gemotiveerd om het belang van de Romeinse Republiek te dienen, wordt door tegenstanders zo zeer bedreigd dat hij in ballingschap moet vluchten, hij raakte daarna betrokken bij een burgeroorlog en wordt op het laatst ook zelf vermoord. Een andere schrijver, Tom Holland, beschrijft in zijn boek ‘Heerschappij’ de Romeinse en Griekse wereld als een strijdperk waar enkel mannen het voor het zeggen hadden en waar vrouwen en zeker slaven niet of nauwelijks meetelden.  Hun motto was: ‘Vecht altijd dapper en wees superieur aan anderen’. Hoe revolutionair was dan niet de boodschap van de apostel Paulus: in Christus zijn wij mensen allen gelijk: in Hem is man noch vrouw, Jood noch Griek, slaaf noch vrije, Romein noch barbaar. Is het huidige protest tegen racisme, geen echo van deze oer christelijke boodschap?
Willen wij in onze moderne wereld niet ten prooi vallen aan versplinterde willekeur en dictatuur van fake news en populisme, dan zullen we ons bewust moeten worden van onze christelijke wortels. En wij als bewuste christenen zullen uit onze schulp moeten kruipen en hier openlijk en moedig van getuigen. Wij zijn allemaal kinderen van één Vader die de hele wereld in zijn handen draagt en dwars door alles wat ons bedreigt naar Zijn glorievolle toekomst leidt.

vader Paul

 

Overweging 3e zondag na Pinksteren (21 juni 2020)
In het evangelie van deze 3e zondag na Pinksteren zegt Jezus: “Wees niet bezorgd voor je leven, wat je zult aantrekken of hoe je je zult voeden. Kijk naar de vogels in de lucht en de bloemen op het veld. Uw hemelse Vader weet wat ge nodig hebt aan voedsel of kleding.”
Hoe moeten wij dit opvatten, juist in deze zorgelijke tijd van de Corona-pandemie? Volgens een recent onderzoek van een groep Oostenrijkse sociologen kan niet bewezen worden dat bidden helpt tegen corona. Maar zij hebben wel vastgesteld dat mensen die bidden en voor wie geloof belangrijk is, de coronacrisis optimistischer en beter beleven. Gelovigen aanvaarden volgens hen gemakkelijker beperkingen die aan het openbare leven worden opgelegd en ze proberen op een (pro)actievere manier de crisis het hoofd bieden.

De sociale wetenschappers stellen bij de gelovigen ook meer vertrouwen in de overheid en openbare instellingen vast. Zij stemmen ook sneller in met het overheidsbeleid en politierichtlijnen en zij zijn eventueel bereid om al of niet tijdelijk meer belasting te betalen om de gevolgen van de crisis economisch te boven te komen. We kunnen dus concluderen dat geloven en godsvertrouwen een opbouwende kracht is. Natuurlijk zijn er ook heel veel niet-gelovigen die positief denken en handelen. De vele harde werkers in de zorg en de onderzoekers die overuren maken in de zoektocht naar een geneesmiddel of vaccin tegen Corona zijn lang niet allemaal gelovigen.

Een bijzondere wèl gelovige hulpverlener is de Armeens – Nederlandse arts Gor Khatchikyan ( 33 jaar ). Samen met zijn ouders en broer vluchtte hij naar Nederland. Na jaren van onzekerheid kregen zij asiel door het generaal pardon. Over de reden van hun vlucht kan en mag hij in het openbaar niets zeggen. Hij studeerde voor arts. Op de vraag of veel asielzoekers geen gelukzoekers zijn zegt hij: “Iedereen is een gelukzoeker. Nederlanders ook. Ieder mens is toch op zoek naar veiligheid en geluk? Ben ik nu hier omdat ik in Armenië ongelukkig zou zijn? Nee, dat denk ik niet. Ben ik hier om alleen maar te profiteren? Nee, mijn leven bewijst het tegendeel: ik zet mij juist enorm in om voor een ander iets te betekenen.

Maar het grootste geluk dat mij in Nederland is overkomen, is dat ik tot geloof ben gekomen in de levende God. Het klinkt een beetje arrogant, maar mijn droom is om gelukbrenger te zijn. Ik wil hier van dienst zijn, een bron van zegen voor anderen. Ik kom hier niet alleen iets halen, maar ook iets brengen. Zowel in mijn werk als in mijn geloof. In die zin is de Bijbelse Jozef, die als slaaf naar Egypte werd gevoerd, echt een voorbeeldfiguur voor mij. Een fantastische vent vind ik hem. Ondanks de moeilijke jaren die hij doormaakte in de gevangenis, waarin hij niets zag van Gods beloften, bleef hij trouw. Uiteindelijk kreeg hij een succesvolle baan als onderkoning en kon hij zijn eigen volk dienen. Ik bid vaak: ‘Heer, laat mij een Jozef in Nederland zijn.”

In deze Coronatijd werkt hij in het St. Antoniusziekenhuis in Nieuwegein en zegt: “ ik benut naast de stethoscoop mijn Bijbeltje. Ik zeg tegen angstige patiënten: wij doen alles om u te helpen zodat u weer beter mag worden. Maar als dat soms niet lukt wil ik die patiënt helpen om waardig te kunnen sterven”. Maar Gor Khatchikyan heeft ook politieke ambities. Ik las ergens dat hij hoopte ooit nog premier van ons land te worden, echt uit gelovige dienstbaarheid. God zorgt voor ons mensen door bemiddeling van medemensen die zich helemaal in oprechtheid en dienstbaarheid durven te geven voor het geluk van anderen.

Deze ‘overweging in Coronatijd’ is voorlopig de laatste. Even een zomerstop. Wij hopen dat onze vieringen mogelijk in augustus of anders in het najaar hervat kunnen worden. Dit wordt tijdig bericht op deze site.

vader Paul

 

Overweging 2e zondag na Pinksteren (14 juni 2020)
Het evangelie van deze zondag, Mattheus 4, 18 – 23 eindigt aldus: “Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.“Jezus als genezer. In deze tijd van de dreiging door het Corona-virus is dit heel actueel.
We zien dit op deze icoon.

overweging1

We moeten beseffen dat Jezus de genezer is voor ons allemaal, ook als wij lichamelijk goed gezond lijken. Op woensdagavond in de Heilige Week heeft in de Byzantijnse traditie de ziekenzalving plaats die dan gegeven wordt aan àlle aanwezige gelovigen. De biecht wordt eveneens gezien als het sacrament van genezing van het kwaad dat in ons aanwezig is. Jezus is hier Jezus onze genezer door de kracht van Zijn vergeving. Ziekte kan ook de samenleving als geheel aantasten. De laatste weken dringt tot ons, witte Nederlanders, door hoezeer racisme veel meer bij ons aanwezig is dan wij dachten.
De vraag is of onze samenleving ook niet ziek is door de onverschilligheid voor 33.000 vluchtelingen die in overvolle kampen op Griekse eilanden moeten zien te overleven. Het is er een hel vol ongedierte, er is veel te weinig sanitair en schoon water, er heerst schurft, de mensen zijn er ondervoed, lijden onder onderlinge agressie en moeten slapen tussen stinkende riolen. Door de Lock down komen ook geen medici en andere hulpverleners in de kampen. Er leven daar veel kinderen zonder ouders. Er zijn er onder hen die zichzelf uit wanhoop verwonden en soms zelfs zelfmoord plegen. De Nederlandse regering weigert zelfs een klein deel van deze kinderen op te vangen, hoewel lokale bestuurders er hier wel op aandringen Op deze icoon zijn ook de kinderen te zien.

vader Paul

Kerkbericht

Kerkbericht

  KERKBERICHT NR. 1-2021 Voorlopig géén viering (en ) De dreiging van de besmetting door het coronavirus heeft het bestuur doen besluiten om in elk geval géén viering te houden op zondag...

Lees meer

Vieringen bijwonen

Vieringen bijwonen

Vieringen bijwonen U bent van harte welkom om onze vieringen bij te wonen, of om eens rustig een kijkje te komen nemen.Vanaf 10.15 uur kunt u binnenlopen in de kerk. De lector (lezer) is dan het De...

Lees meer

Nieuws, lief en leed

Nieuws, lief en leed

Nieuws       Terugblik 23 augustus Op 23 augustus jl. hadden we een zeer geslaagde bijeenkomst op het landgoed Rhijnauwen. Er waren 31 leden van onze gemeenschap aanwezig en ...

Lees meer

Archief

Archief

Archief In dit archief zijn documenten opgenomen van Overwegingen van Vader Paul Brenninkmeijer, van Kerkberichten en van Jaarverslagen van de gemeenschap Wladimirskaja. Voor oudere documenten kunt u...

Lees meer

Fotogalerij

Fotogalerij

Fotogalerij  In deze fotogalerij zijn foto's opgenomen van gebeurtenissen in onze Gemeenschap. Als u foto's in uw bezit hebt die naar u mening een plaats in het archief zouden verdienen, neem da...

Lees meer

Koorleden gevraagd

Koorleden gevraagd

Koorleden gevraagd De Wladimirskaja gemeenschap heeft een eigen koor, dat de voorgeschreven gezangen van alle vieringen zingt. In de Byzantijnse ritus neemt het koor een belangrijke, zelfs onmi...

Lees meer